Dinsdag 8 januari 2002

Het is een nieuw jaar, een jaar met nieuwe uitdagingen en verrassingen.
Wij hebben al onze vingers nog en hopen dat jullie er ook nog 10 hebben.

De laatste update kwam vanuit Zinder, Niger. Het lukte ons om met behulp van Ali een internetplek te vinden. Stervensduur en ontzettend langzaam. Foto's lukken nog steeds niet, die houden jullie nog tegoed.
In Zinder hebben we een nacht gestaan bij Hotel Central, op een achteraf plek. Een onrustige nacht met veel lawaai. Wel dicht bij de markt waar we de volgende dag boodschappen hebben gedaan, in alle rust met Ali aan onze zijde. Dat scheelt toch wel als je een local bij je hebt. Natuurlijk willen ze er wat voor hebben maar we hebben aanstekers genoeg.
Ze zeiden ons dat er geen diesel bij de pompen te krijgen is, slechts uit grote drums is diesel verkrijgbaar (uit Nigeria). Ze boden het aan voor een hogere prijs (400 CFA= f 1,35) dan normaal bij de pompen (350 CFA). We hadden voor ons zelf al gezegd dat we geen diesel uit drums zouden kopen omdat we bang zijn voor slechte kwaliteit. We hadden nog wat nodig en zij bleven over de prijs onderhandelen. Wim is niet gek en is, voordat de onderhandelingen afgelopen waren, even snel naar de benzinepomp dichtbij gelopen. Daar was inderdaad geen diesel te krijgen maar verderop bij de Mobilpomp was voldoende diesel in voorraad. Wim nijdig op die onderhandelaars en zei uiteindelijk dat hij het zelfs niet voor niets wilde hebben.
De volgende dag gewoon getankt bij de pomp, dan ben je er bijna zeker van dat je goede zuivere diesel hebt.
Toen naar de camping ten noorden van Zinder. Ruimte, rust en stilte. Helaas geen andere toeristen. Op oudejaarsdag heeft Wim oliebollen gebakken. 's Middags tegen 4 uur zeiden we nog tegen elkaar dat dit een rustig Oud en Nieuw zou gaan worden, zo met elkaar. Waarschijnlijk om 9 uur naar bed en de wekker zetten. Maar, dan komen er opeens overlanders aan. Acht in totaal, Australiers, Kiwi's, Engelsen, Schotten en een Belg. In een Mercedesvrachtwagen en een Toyota Landcruiser. Het zijn allemaal mensen die jaren overlandreizen hebben begeleidt. Tja, dat veranderde de hele avond. Gezellig met elkaar aan het bier, rotjes, een kampvuur en een SOS-pijl middernacht. Hartstikke leuk.
De volgende dag rustig aan bijkomen. Het is een druk stel met elkaar. Houston wordt regelmatig opgeroepen omdat er problemen zijn. Alles wordt met de camera vastgelegd.
We vertrekken de volgende dag, 3 januari. De overlanders gaan de andere kant op en we nemen weer afscheid.
De weg naar de grens met Tsjaad is geasfalteerd. Niet overal even goed, maar het is te doen.
Bij de grens van Niger (wat is het eigenlijk, de Nigerse grens?, hoe heten de inwoners van Niger?, geen Nigerianen want die komen uit Nigeria.) hebben we weer even problemen. De douane wil geld zien, 10.000 CFA. Waarom? Tja, we betalen minder dan de helft en krijgen een reçu voor extra administratieve handelingen. Het duurt altijd zo lang en er moet zoveel onderhandeld worden, dat gaat tegenstaan.
Dan Nguimi door, de grensplaats. Hier houdt ook de weg op, nu bestaat de route om Lake Chad uit piste. En zoek maar eens de juiste piste, uit een dorp zijn er altijd meer routes. Het is eerst al een probleem om het dorp uit te komen, met die grote vrachtwagen tussen de lemen huisjes door. We vinden uiteindelijk de landingsbaan van het vliegveld en daar gaan we dan maar op rijden. Rijdt lekker zo'n geasfalteerde baan en het kan niet missen want het wordt aangegeven door enorme vliegtuigbanden. Maar dan houdt het op en gaan we het zand in. Natuurlijk de banden af laten lopen en rustig aan verder. We vinden bandensporen van vrachtwagens en die blijven we volgen. Dat kan niet missen voor de komende dagen. We lijken wel padvinders op zoek naar het juiste spoor.
Het is geen woestijn zoals we ons dat voorstellen van de Sahara. Het is begroeid met lage struikjes en er staan bomen. De bodem is droog en zanderig. Het is savanne. De nacht staan we een stukje van de route af. We horen slechts een wagen voorbij komen.
De volgende dag naar de grensovergang van Tsjaad. We zien niets en komen niemand tegen. Behalve dan nog een leger-controlepost van Niger. Springen er op eens zo'n 15 man uit een tent, een paar zwaaiend met geweren. Dat is even schrikken. Ze willen de paspoorten zien en natuurlijk cadeautjes. Voor mij heeft het iets bedreigends maar Wim gaat rustig en gezellig met ze kletsen en met drie sigaretten is de doorgang geregeld.
Ook de grenspost van Tsjaad doemt opeens op uit het niets. Hutjes van stro, een troosteloze bende. Natuurlijk weer praten en nog eens praten. Het paspoort wordt gestempeld, het carnet alleen op de achterkant, dat moeten we in het plaatsje Bol regelen. En daar willen we ook naar toe, want Wim Bol moet naar Bol toe. We reizen verder door het zand, de karige begroeiing blijft en de bodem wordt bedekt met droog gras met van die verschrikkelijke stekels. Nog steeds volgen we de trucksporen. Aan de GPS hebben we niet veel, behalve dat je kunt zien welke kant je op gaat. Plaatsen staan er niet op, zeker te onbelangrijk of onbekend. We komen niemand tegen. Toch maak ik me geen moment ongerust; de sporen leiden altijd ergens naar.
Onderweg vindt Wim nog een koeienkop met enorme horens; die moet weer bovenop het dak van de cabine en zal onderweg de nodige blikken op zich geworpen krijgen.
We komen twee keer vast te zitten. Eigen schuld, we gaan van de piste af en dan lijkt het alsof het met gras begroeide zand hard is maar dat is niet zo. Eenmaal gebruiken we de zandplaten, de andere keer laten we de banden verder aflopen. Het gaat allemaal goed.
Nog wel een lekke band, de band die we de vorige reis in Nouackchott op het strand kapot gereden hebben is nu aan het leeglopen. Een goed begin van de dag, het is 08.00 uur. Gelukkig nog helemaal niet warm, het kan altijd op een slechter moment van de dag. Even een bandje verwisselen. Dat gaat redelijk snel, het terugplaatsen van de oude band duurt bijna langer.
Bij de afslag voor het plaatsje Bol zien we overlanders; 2 Nederlanders Monique en Erik die vanuit Zuid Afrika komen. Zo zie je dagen niets of niemand en dan zijn er zo maar weer twee Nederlanders. Even kletsen en informatie uitwisselen. Zij hebben het visum voor Soedan in Ethiopie gehaald en dat duurde 4 dagen. Dan naar Bol. Hier zien we dan ook voor het eerst het water van Lake Chad. Ach, ik heb wel vaker meren gezien en het valt dan ook een beetje tegen. Er is geen groots uitzicht op het meer.
De politie in Bol is correct, we krijgen stempels in het paspoort nadat we een formuliertje met gegevens hebben ingevuld en pasfoto's hebben gegeven. Dan naar de douane, een stukje verder het dorp in, aan het water. We staan daar even mooi, onder de bomen en 20 meter vanaf het meer. Ach, bij de douane is de stempelman er even niet, ze gaan hem zoeken. Dat duurt en duurt. Ondertussen hebben zich zo'n 50 kinderen zich verzameld om de vrachtwagen. Die kun je wel even bezig houden maar dan komt opeens die ommekeer; ze gaan steentjes gooien, klimmen op de wagen, jatten de stickers eraf. En geen volwassene die uit zichzelf iets doet. Wim is ondertussen aan het mee zoeken naar de man van de stempels dus ik sta daar een beetje mezelf op te vreten. Boos worden heeft geen zin, vinden die kutkinderen alleen maar leuk. Als ik dan een douaneman vraag om in te grijpen gaat hij met stenen gooien naar de kinderen. Afgrijselijk natuurlijk, maar het helpt wel voor 10 minuten.
Uiteindelijk gaat Wim met iemand mee naar het huis van de stempelman en komt nijdig terug. Het is vandaag zaterdag en alleen voor 10.000 CFA wil hij stempelen. Nou, dan maar niet.
Geen succes dat plaatsje Bol; 3 uur wachten op niets, stickers gejat van de auto, bekogeld met steentjes en geknepen in benen, armen en borsten. Snel weg.
Dan over een verharde weg richting N'Djamena, de hoofdstad van Tsjaad. Dat verharde van de weg is ver te zoeken. De oorspronkelijke weg is wel 30 meter breed, alleen lijkt het alsof er een slagveld heeft plaatsgevonden. Gaten en kuilen in de weg, sleuven en groeven overal. En geen kleintjes, een personenauto kan er eenvoudigweg in verdwijnen. Een rot stuk uiteindelijk. Zo zie je maar, vaak is een onverharde weg met zand veel beter te berijden dan een verharde weg. Afstanden zijn dan ook een relatief begrip hier.
Natuurlijk weer controles onderweg, dat kost tijd. Maar 80 kilometer voor N'Djamena is de weg zo glad als wat en kunnen we aardig door rijden. Natuurlijk weer controles en weer die kinderen die direct aan de wagen hangen. Nu pakt een douanier een stuk tuinslang en gaat daar wild mee om zich heen slaan. Idioot eigenlijk, die kinderen hebben geen respect maar anderzijds hebben die volwassenen geen respect voor kinderen want wie gaat er nou, om iets gedaan te krijgen, stenen gooien of met een stuk tuinslang slaan? Nee, leuk zooitje hier.
We komen zondagavond aan in de hoofdstad, net voor de schemer. Doorrijden want de verlichting van de auto doet het niet meer zo goed, net als de remlichten.
We staan bij het Novotel. Ze geven hier toestemming om te kamperen op het ommuurde terrein. Gratis, water in overvloed, bomen en zelfs een warme douche bij het zwembad. Alhoewel je voor het zwembad moet betalen. Maar, een prima plek.
We eten in het hotel, als een soort beloning voor de afgelopen dagen en omdat we binnenkort een jaartje getrouwd zijn. Tja, dan krijg je dat soort herinnerherinnerdagen. Uitgebreid en lekker gegeten.
Gisteren aan en in de auto gerommeld, vandaag gaan we maar eens op zoek naar een bank, internetkantoor en de douane. Dan op weg naar Soedan.

Zaterdag 12 januari 2002

Tja, dat zoeken naar een internetkantoor, een bank en de douane was geen succes.
Bij het hotel aan mannen van het autoverhuurbedrijfje (met of zonder chauffeur) gevraagd naar de weg naar het douanekantoor. Uitgelegd en voor ons een gratis lift geregeld naar het douanekantoor. Wel moest ik maar even mijn kettingen en armband afdoen want die zouden wel eens afgerukt kunnen worden. Bij de douane worden we van de een naar de ander gestuurd. Het lijkt erop alsof ze het carnet de passage (tijdelijk invoerdocument voor de auto die men bij binnenkomst en uitgang van een land moet stempelen) niet kennen. Dan krijgen we een persoonlijke lijfwacht in burger (ja, ze lopen hier met en zonder uniform) die vertelt dat we naar de grensovergang met Kameroen moeten, daar kunnen ze het stempelen. Die grensovergang is 15 kilometer verderop. Tja, het is toch onze schuld niet dat ze niet wilden stempelen, ik word er een beetje moe van. Moeten we nog wel laten stempelen, die Nederlanders in Bol hadden hun carnet ook niet gestempeld; bij de grensovergang van Soedan naar Tsjaad is er niet eens om gevraagd. Toch doen we het maar, we willen niet straks meer problemen krijgen. Met die vent een taxi in. Dan overstappen als we de rivier de Chari overgaan. Wel makkelijk, hij regelt het wel. Natuurlijk moeten wij betalen. Dan de grensovergang. Daar is een ommuurd terrein met een groot hek. Voor dat hek staan honderden mensen. Onze man leidt ons er doorheen maar wordt bij het hek door de gendarmerie net zo hard teruggeduwd als de anderen. Het gaat er ruig aan toe. Uiteindelijk komen we erdoor omdat onze man natuurlijk mensen kent. Dan laten stempelen. Duurt, duurt voordat de juiste man gevonden is. Ondertussen al dertig keer handjes geschud en geglimlacht. De chef van het hele spul gaat aan de slag met het carnet. Hij snapt er werkelijk geen jota van en samen met Wim en nog twee mannen lukt het de man om stempels te zetten en handtekeningen. Hij wil zelf al het gedeelte invullen wat bij uitgang van het land gedaan moet worden. Ik kan hem er nog net van weerhouden.
Dan weer terug. We kunnen weer meerijden met een bekende van onze man. Maar dan, dan stappen we uit de auto en begint het gesodemieter. Hij wil natuurlijk geld zien. Hij is wel 3 uur van kantoor geweest, hoe moet hij dat verantwoorden? We houden ons een beetje stom en zeggen dat we slechts 1500 CFA (5,00) hebben en dat we nog naar de bank moeten. Nee, hij moet wel 10.000 CFA hebben anders gelooft zijn chef het niet. Gelukkig zijn de banken ondertussen alweer gesloten. Na veel gesoebat glippen we tussen het handenschudden met vriendjes er tussen uit. De douaneman komt morgen wel met zijn chef naar het Novotel.
Met de taxi terug naar het hotel. Zo'n paar uurtjes onderweg kost meer energie dan een dag door het zand rijden. Het is druk, onrustig en altijd dat gezeur over geld, geld en nog eens geld.
De volgende dag naar de bank. Even zoeken maar uiteindelijk wisselen we voor de bank. Lekker snel en zwart voor een goede koers, 1 Dollar voor 760 CFA, ongeveer 2,50. We zien een internetkantoor en gaan even naar binnen. We zijn samen bezig maar het lukt mij niet om berichten te openen, Wim heeft ook problemen. Uiteindelijk zijn we een half uur bezig en hebben niets bereikt. Daar word je ook niet vrolijk van. Ik zag volgens mij een nieuw bericht uit Yerseke maar heb het helaas niet kunnen lezen. De volgende keer dan maar weer. Boodschappen gedaan; lekkere grote plakken ham zoals je die ook bij de AH haalt. We smullen vreselijk; vers stokbrood met Hollandse kaas en Belgische ham.
Dan wordt het tijd om te vertrekken richting Soedan. De overnachtingen bij het Novotel zijn gratis, alhoewel er wel verwacht wordt dat je wat geeft aan de Security. Dat doen we dan ook netjes want dit hotel is een goede mogelijkheid voor overlanders om te verblijven en het zou zonde zijn als het niet meer kan.
Met gemengde gevoelens over de bewoners van Tsjaad rijden we weg. Het zijn of heel aardige mensen of het zijn vreselijke rotmensen. Ik vind het moeilijk hier, het lijkt alsof je niemand kunt vertrouwen. Eerst de kat uit de boom kijken terwijl dat bij ons thuis eigenlijk andersom is.
De weg naar Soedan. Het eerste stuk moeten we terug over asfalt, mjummie. Dan krijgen we onverharde weg. Redelijk goed te berijden, we kunnen gemiddeld de eerste dag 45 kilometer per uur rijden. Dat is voor ons goed. Met een personenauto kun je veel harder en beter rijden.
We overnachten in het wild. Het landschap is savanne met grasjes en struiken. Vooral tegen een uur of vijf is het prachtig. De zon heeft wat van haar kracht verloren en het licht is zachter. De goudgele grasjes van een halve meter staan te wiegen in de wind. Adembenemend.
De volgende dag iets minder goede weg maar we kunnen nog steeds door. Het blijft veel spoorzoekertje spelen. Helaas staat er veel wind waardoor veel sporen onder het zand verdwijnen. Natuurlijk mis je de grote groeven niet, maar de verse sporen verdwijnen. En dat zijn nou meestal de beste sporen. We rijden een andere route dan de directe weg volgens de kaart en de GPS. Maar de directe weg vinden we niet en op deze toeristische route rijden toch de vrachtwagens. Misschien is de directe weg slecht. We weten het niet.
Onderweg zien we dorpjes. Hutten gemaakt van riet in verschillende kleuren; oud en beige of nieuw en goudgeel. We zien herders met grote speren lopen. Is er hier soms wild? Helaas spreken de mensen hier bijna geen Frans en zijn we zelf ook niet zo welwillend om contact te gaan leggen met de inwoners van Tsjaad. We overnachten weer tussen het goudgele zwiepende gras. Geen leeuw gehoord vannacht en gewoon heel goed geslapen.
Het is nu 07.30 uur in de ochtend, de temperatuur is gestegen tot 10 graden. Vannacht zal het ongeveer 7graden geweest zijn. De zon staat al weer te schijnen, de wind is weer wat aangewakkerd. We hebben er weer zin in; op weg naar Abeche, de laatste grote stad voor de grens met Soedan.
Abeche is een stad die heel anders lijkt dan de andere plaatsen in Tsjaad. De mensen zijn vriendelijk. Ik kan zelfs zonder dat ik wordt aangevallen brood kopen. De politie is beleefd en de kinderen die om de auto komen staan, hangen niet aan de auto maar willen praten over voetbal. Gelukkig ken ik nog wat namen uit een ver verleden. Echt, dit stadje laat een heel andere indruk achter van de mensen in Tsjaad. Zo kan het dus ook.
Dan naar de grensplaats Adre. Een zware weg voor ons; stenig en hobbelig. Enorme gaten in de weg geslagen, geen mogelijkheid om langs de route te rijden. Droge rivierbeddingen met mul zand van 50 meter breed (voor ons geen probleem) en prachtige mangobomen. De omgeving verandert; meer heuvels, stenen, dalen met grote groene bomen, rode aarde. Dan komen ons twee motorrijders tegemoet. We kijken of het negers zijn, ik heb al eens eerder razend enthousiast gezwaaid naar motorrijders die gewoon van hier kwamen. Ze rijden voorbij, de eerste lijkt wel een donkere. Dan roept Wim, die de kentekenplaten ziet, dat het Nederlanders zijn. Wij, en ook zij stoppen. En daar zijn Ruud en Guus. Twee Nederlanders die op een Honda 600 vanuit Zuid Afrika naar Nederland rijden. Zwaar bepakt en geladen.
Tja, dan moeten we maar een kamp opslaan en met elkaar eten en drinken. Het wordt me nu weer eens duidelijk wat voor verschillen er kunnen zijn per vervoermiddel. De wegen die voor ons goed zijn (zand) zijn voor hun te zwaar, wegen voor hun goed (hobbels en bobbels) zijn voor hun goed omdat ze een veel kortere remweg hebben, dat gaat allemaal sneller dan met een logge vrachtwagen. Natuurlijk ook de bagage. Hebben zij slechts een set schone kleren bij zich (tja jongens, het is ook wel te zien), wij hebben gewoon onze hele klerenkast meegenomen. Eten, wij lijken hier wel een SRV-wagen. Zij kunnen niets extra meenemen.
Ik prijs me dan ook elke dag weer gelukkig met alles wat we hebben; van warme douche tot Nederlandse kaas. Ook neem ik mijn petje af voor diegenen die op deze manier zo een reis maken. Wel zijn we het erover eens dat water en brandstof de twee meest belangrijke zaken zijn die je mee moet nemen. Natuurlijk moet ook het voertuig in orde zijn, maar water en brandstof, daar gaat het om.
We wisselen informatie uit en hebben een gezellige avond in de bush van Tsjaad. Eerst nog even buiten, gadegeslagen van 15 meter afstand door een local. Die ziet waarschijnlijk een soort soapserie; 4 blanken op een kleedje, ze drinken wat en zitten maar met een stuk papier te wapperen (de kaart). Dit hadden we nooit verwacht, maar uiteindelijk kom je die reislustige Nederlanders overal tegen. Guus vertelde dat hij in twee dagen zijn visum voor Soedan geregeld heeft, in Nederland. Het is dus mogelijk om het snel te doen.
De volgende ochtend gaan we weer uiteen. Guus is een beetje slapjes in de benen en voelt zich niet zo lekker. Toch gaan rijden, want wat moet je anders hier in de bush. Hoe kwetsbaar ben je, je hoopt altijd maar dat alles goed gaat.
Richting de grens. De weg wordt voor ons wat beter. Het is een warme dag ondanks dat de wind lekker koel is. Luchtvochtigheid kennen ze hier niet. Ons metertje gaan tot een minimum van 20% maar dat is al vaak te veel.
In Adre krijgen we weer de gendarmerie (altijd lastig), de douane (geen enkel probleem met het carnet) en de politie. Kost allemaal niets. Terwijl we staan te wachten wijzen kinderen op de rechtervoorband. Pssst. Pssst. Ojee, lekke band. We rijden een stuk het dorp uit en parkeren de wagen onder een boom. Dan gaat het karwei weer beginnen. Nu wat meer moeite met het er af halen van de lekke band terwijl het plaatsen van de lekke band tussen de cabine en container wat eenvoudiger gaat. Al met al toch twee uurtjes bezig. Deze tijd worden we bekeken door een zestal jongetjes van zo'n jaar of 10. Op afstand want Brown heeft van zich laten horen. Tegen de tijd dat we bijna klaar zijn komt er een oude man naar ons toe en dan durven de kinderen mee te komen. Je kunt geen woord met elkaar wisselen maar de man bralt maar door. Dan maar een snoepje uitdelen, de kinderen hebben tenslotte nog nergens om gevraagd. Ze zijn te bang om het aan te pakken en pas als de oude man (zonder gebit) zijn snoepje heeft durven ze dichterbij te komen. Maar ze pakken angstig het snoepje aan van een meter afstand. Dan klinkt het zachtjes uit 6 kinderkeeltjes "Soekran". Zo kan het dus ook.
Het stuk niemandsland is klein, al snel een Soedanese post. Ze spreken een beetje Engels. We kunnen door naar El Geneina waar de formaliteiten geregeld moeten worden. Door het mulle zand, over grevelweg en over rotsen rijden we naar El Geneina, zo'n 35 kilometer verder. Het is al laat in de middag ondanks dat de klok hier een uurtje teruggaat (we lopen nu 1 uur voor op Nederland). Bij het douanekantoor is het een drukte van belang, allemaal grote volgeladen vrachtwagens die staan te wachten. Veel goederen staan op de grond. Wij moeten eerst naar de Immigratie, maar die is al gesloten. Wim heeft het zo geregeld dat we op het terrein van de Immigratie kunnen overnachten, bewaakt en weg van al die mensen.
De volgende ochtend begint het wachten; pas om 9 uur is er iemand van de immigratie. Een papiertje wordt in het Arabisch ingevuld (ik ben een man uit 1970) en dan weer wachten op de Security. Dat wachten duurt tot 13.00 uur. De wagen staat vast bij de douane (bij al die andere volgepakte vrachtwagens en pick-ups). Ik houd de wacht terwijl Wim heen en weer loopt van de politie naar de security, van de security naar de politie, van de politie naar de douane enz. Voor mij is het een rustige tijd; voorin de cabine met de honden en een goed boek. Van de Soedanezen heb ik helemaal geen last, ze zijn vooral nieuwsgierig naar de honden. Er is slechts een man die weer om iets vraagt, dat is een man uit Tsjaad.
Tja, die honden die doen wat hier. Overal kijken ze nieuwsgierig en vol bewondering naar de cabine. Eerst zien ze natuurlijk die enorme koeienkop met hoorns en dan nog twee van die beesten daar binnen. Ze zijn niet echt bang voor honden, wel voorzichtig en vragen altijd of ze gevaarlijk zijn. Nou, kijk Brown maar eens goed aan dan weet je dat het gevaar ver te zoeken is.
Bij de immigratie krijgen we stempels. Sinds korte tijd is het niet meer nodig om een travel permit te hebben. Om je daarvan te vrijwaren krijgen we een extra stempel (Arabisch) in het paspoort. Kost wel 8700 Soedanese dinar. We hebben 100 Dollar gewisseld bij een mannetje wat hier rondloopt en kregen daarvoor 26.000 Dinar. We gaan er voor het gemak dan ook vanuit dat 8700 Dinar 87 gulden is (in Euro weet ik het nog niet zo snel). Lekker eenvoudig. Brood kost 25 Dinar, 25 cent. En weer van die platte broodjes, ze lijken op pita-broodjes van de shoarma-tent.
Na een lange en voor Wim drukke ochtend rijden we weg. We gaan richting Nyala, de meest bereden route. Het is slecht terrein, rotsig en zanderig. We hobbelen weer wat af. Het is hier in Soedan warmer dan in Tsjaad, nu ongeveer 30 graden of meer in de middag. Als we uiteindelijk weer een plek gevonden hebben is het alweer tegen het einde van de middag. Ojee, Wim hoort niet alles maar soms heel veel. Onderweg hoorde hij al wat en nu ziet hij het; de luchtketels waren losgescheurd (voor de leken onder ons, zoals ik; lucht is nodig voor de remmen, de 4X4 is luchtbediend, dus zonder lucht komen we geen meter vooruit). Gelukkig nog niet helemaal anders waren ze eronder uit gevallen, maar ze moeten wel met spanbanden vastgemaakt worden en dan maar hopen dat het blijft zitten. Na een onrustige nacht met het geluid van aapjes (waarschijnlijk een soort Gibbonaapjes die we op de dag al gezien hebben) beginnen we de volgende dag aan de spannende reis naar het eerstvolgende grote dorp of stad. Nog even overwogen om terug te rijden naar de grensplaats maar dat doen we toch maar niet. En gelukkig, een beetje boven verwachting, komen we tegen het middaguur aan in Zalingei en daar kan gelast worden. We hebben veel bekijks. Terwijl er gewerkt wordt aan de auto staan er wel honderd kinderen om ons heen. Allemaal nieuwsgierig. Van een meisje krijg ik een prachtige heldergele kauwgombal. Het ontroert me. Als ik het marktje op loop word ik gevolgd door een grote groep kinderen, maar allemaal op afstand. Wat een tegenstelling met die etterkinderen uit Tsjaad. Als het werk geklaard is geeft Wim de man een set sleutels waar hij blij mee is en een polaroidfoto van de man aan het werk. Alleen maar blijde gezichten.
Men had al gezegd dat de mensen in Soedan aardig zijn, nou dat klopt. Ze lachen, soms ook hard en giechelend vooral de meiden, en zwaaien bijna de arm uit de kom.
Na Zalingei gaan we op weg naar Nyala. Krijg nou wat, er is een teerweg. Niet helemaal glad, maar het aantal gaten valt mee. Overnachting in de bush. Elke plek is weer anders. Wat me het meest pleziert is de enorme stilte die overheerst. Zo'n absolute stilte kennen we in Nederland niet meer.
De volgende dag over de teerweg naar Nyala. De muziek kan weer aan, we kunnen er eindelijk van genieten, zo'n 180 kilometer lang. Dan door Nyala en weer op de goede weg terechtkomen naar Ed Da'ein. Dat is het meest moeilijk onderweg; vanuit een dorp weer de goede sporen vinden. Nu krijgen we een spoor aangewezen langs de spoorlijn. Tja, we rijden maar. Uiteindelijk is het niet de route die op de kaart of GPS staat, maar het kan eigenlijk niet missen. We gaan soms een stuk van het spoor af of gaan over het spoor maar het komt allemaal goed. Net als we ons afvragen of er wel een trein zou kunnen rijden over dit smalle spoor komt de trein er aan. Een kleurige locomotief met enkele wagons erachter. Onderweg zien we veel dorpjes met een soort opslagplaatsen voor granen. Ze verzamelen het, vermalen het en doen het in zakken. De trein zal het verder transporteren. Dat we de vrachtwagenroute rijden (niet alleen vracht maar ook heel veel mensen gaan mee op de vrachtwagen) wordt iedere keer duidelijk als we een dorpje binnen rijden. Veel eettentjes, heel veel. Allemaal van golfplaat of gedroogde graanstengels, allemaal het zelfde en overal aardige mensen. Bij het vragen naar de route wordt duidelijk dat men Arabisch spreekt en geen Engels. Helaas voor ons. Het blijft altijd een beetje vaag. Mensen hier kennen ook geen wegenkaart, elke weg hier gaat naar een grote plaats, het is maar net hoe je het ziet. Afstanden zijn voor hun onbekend, natuurlijk ook overbodig. Het gaat, als het al ergens om gaat, om de tijd. En tijd is heel relatief, gelegen aan het vervoermiddel waarmee je bent. De piste die wij nemen kan door een personenauto gereden worden met een gangetje van 70, wij kunnen niet harder dan 30 km per uur.
Dan zonder problemen in Ed Da'ein. En dan gaan we verkeerd. Of wat is verkeerd? Je weet het niet. Op de kaart (de GPS geeft helemaal geen duidelijkheid) staan een piste en een aardeweg. We willen eigenlijk de aardeweg maar komen terecht op de piste. Zand, zand en hobbels en bobbels in het zand. De afstand vanaf Nyala tot aan En Nahud is de afstand tussen Hoek van Holland en Den Helder en dat drie keer, door de duinen. Het worden zware dagen. De wagen lijkt ook meer kuren te gaan vertonen; de veren? de schokdempers? het geboink onder de wagen vandaan? Oh, wat zullen we blij zijn als we eerst maar in En Nahud aankomen, dan is het nog zo'n 750 kilometer over betere weg. Sinds Nguimi, de grens tussen Niger en Tsjaad hebben we slechte weg, veelal piste. We merken het aan ons zelf, tegen het eind van de dag roept Wim van alles in de cabine; de k..weg, een k..dorp, een k..ezel enz. Daarom stoppen we maar wat eerder, zo tegen 16.00 uur. Sinds eergisteren zijn mijn biertjes op, dus geen lekker gekoeld pilsje meer aan het einde van de rit. Dan maar aan de muscaatwijn, ook erg lekker. Hier in Soedan is alcohol in de ban, dus kopen zal wel niet lukken. Maar we hebben nog wat port, wijn en muscaatwijn. Zelfs nog cognac en jenever. Gelukkig hebben we de tijd aan onszelf en kunnen we gewoon stoppen als wij dat willen. Maar we zullen heel blij zijn als we eerst al in Khartoum aan komen. Daar kunnen we even bijkomen en aan de wagen knutselen.
SMS'jes gekregen. Zo weet ik dat in Breukelen alles goed gaat, in Maarssen gaat het zoeken naar een neiuwe auto door en Vinkeveen gaat op wintersport. Leuk om te horen. Helaas gaat internetten nog niet, hopelijk in Khartoum.

Dinsdag 22 januari 2001

Gefeliciteerd Coen en Matthieu. Tja, je slaat de agenda open en ziet dat er jarigen zijn vandaag. Natuurlijk ook nog iedereen die jarig geweest is, van harte.
Eindelijk, Khartoum is in zicht, nog ongeveer 200 kilometer. Over asfalt. Tja, dat asfalt zo iets heerlijks kan zijn dat je zelfs de grond gaat kussen, dat is iets wat je ervaart na dagen en dagenlang zandpistes rijden.
We zijn dagen terug het plaatsje En Nahud gepasseerd en daarvandaan zou de aardeweg beginnen. Voor ons is er geen verschil, het blijft zand, zand en nog eens zand. Dwars door dorpjes heen. Dat is, na 8 uur asfalt rijden, toch heel aardig geweest. Nu over het asfalt rijden we langs de dorpen, over de pistes kwamen we door dorpjes. En dan echt er doorheen. Aan elke zijde van de auto een meter ruimte, dan begon de omheining, gemaakt van gedroogde graanstengels. Het lijkt hier alsof men in groepjes (families) bij elkaar woont. Binnen zo'n omheining, het aantal verschilt per dorp, staan veel ronde hutjes met een puntmutsje, ook gemaakt van graanstengels. Binnen de omheining lopen de kinderen, de ezels, koeien en geiten. Net buiten de omheining ligt van alles, zelfs dood vee. Naast al deze kleine gemeenschapjes zijn er de kralen voor het vee, die zijn omringd door afgebroken struiken. Hier in Soedan zien we eigenlijk wel in elk beetje dorp een watertoren, een vierkant vat van zwart/wit geblokt metaal. Toch meer voorzieningen dan we gezien hebben in Tsjaad.
Onderweg rijden we in brede groeven, uitgesleten door de vele auto's en vooral vrachtwagens. Vooral vrachtwagens omdat ze erg diep zijn en een personenauto zou met de bodem slepen over het verhoogde middenstuk. We zien opeens voor ons drie kleine kinderen, twee van een jaar of 6 en eentje van ongeveer 4. Rennend door het spoor. Ze horen ons natuurlijk aankomen en klimmen uit het spoor. Echter, het kleintje heeft het nog niet zo door en blijft als opgejaagd vee voor de auto uit rennen. Een jongen staat van uit de berm te gebaren dat we moeten stoppen, maar dat doen we al. Het kleintje probeert vanuit het spoor op de kant te klimmen, maar dat is zanderig, stijl en toch nog zo'n 50 centimeter hoog. Het lukt niet, totdat hij geholpen wordt. En daar staan ze dan, snikkend, bevend, huilend en hijgend aan de kant. We geven ze maar een toffee om van de schrik te bekomen. Het is aandoenlijk. Ook om hier de kinderen te zien, allemaal voddenbaaltjes. De volwassenen zien er bijna allemaal verzorgd uit, maar kinderen zijn een sluitpost op de begroting. Hier is het nog steeds een oudedagsvoorziening. Helaas. Ook zien we echt kleine kinderen, 5 of 6 jaar die een kudde geiten of schapen hoeden. Helemaal alleen met het vee. Nee, bij ons is het wel eens overdreven maar dit is zeker niet goed. De kinderen (en natuurlijk ook de groten) zijn allemaal verbaasd over de honden. Sommigen laat ik de honden aaien. Eerst bang, heel bang en uiteindelijk een glimlach van trots van oor tot oor. En dat terwijl hier toch ook honden zijn.
De mensen hier in Soedan zijn echt vriendelijk. We zijn al diverse malen uitgenodigd om te blijven eten of wat te drinken. We hebben overnacht op een plek bij een Baobab-boom. Eerst waren daar een tweetal jongens met paard en wagen die een kwartier op afstand naar ons gekeken hebben. Ze zijn weggereden en we hoorden ze roepen. Ik zei nog tegen Wim, nou die zijn de anderen aan het waarschuwen en komen straks terug. En ja hoor, daar komen de twee jongens met twee volwassenen terug. Alom vriendelijkheid. Ondanks het gebrek aan conversatie vragen ze ons of we water of eten nodig hebben, en als er iets is dan wonen ze even verderop. Dat is nog eens gastvrijheid terwijl ze zelf al zo weinig hebben.
De route. Ongeveer 100 kilometer voor El Obeid zien we asfalt. Yes, yes! Helaas is het een proefvlak. Maar dan toch na 5 kilometer is het echt geasfalteerd (zoals een leraar in een dorpje 25 kilometer terug ook gezegd had, net als dat er 2 weken geleden twee Nederlandse vrachtwagens langsgereden zijn, met ene Peter aan boord. (De familie Knol?).
We rijden helemaal in extase naar El Obeid. Geen gekloink meer van de wagen (alhoewel nu de tussenbak weer gaat lekken) en de muziek kan aan. In El Obeid tanken. Wim vraagt voor 5000 Dinar (50,=). En dan moeten we in het kantoortje betalen; 7000 Dinar. Helaas, maar we hebben ook verder geen Dinar, alleen Dollars. Wisselen doen ze niet, ze halen er zonder problemen weer diesel uit. Ze verontschuldigen zich aan alle kanten terwijl het gewoon een communicatiefoutje was. Dan naar Khartoum. Oei, een tolweg. Dat had niemand verteld. Tja, die 1000 Dinar is niet genoeg, het is 3500 Dinar. Het duurt allemaal even en al het verkeer wordt opgehouden. Maar niemand die toetert of boos wordt. Terwijl Wim converseert met de tolman komt er aan mijn kant een Soedanees die in vloeiend Frans begint te praten. Aardig, erg aardig en hij betaald voor ons de tol. Als ik de dollars wil pakken om terug te betalen wil hij eerst van niets weten. Allons, a Khartoum, roept hij. Hij rijdt voor ons uit met een oude vrachtwagen en 3 passagiers. We halen hem in en we stoppen want ik wil de schuld betalen en een plekje gaan zoeken om te overnachten. Uiteindelijk neemt hij het geld aan en kan nog meer wisselen tegen een redelijke koers. Er stopt ondertussen ook nog een vriend van hem met een vrachtwagen en 4 meerijders en zo staan we gezellig met elkaar een half uur te kletsen. Allemaal lachen en op de foto. Ook een polaroid als aandenken. Dan vraagt hij nog of we wel genoeg te eten en te drinken hebben. We nemen hartelijk afscheid van elkaar. Ze zijn (tot nu toe) echt vriendelijk en hebben ook gewoon de tijd voor dit soort fratsen. Bij ons beginnen we al te gillen als we 2 minuten moeten wachten voor een stoplicht, hier nemen ze de tijd van de wereld.
Vandaag de White Nile overgestoken en nu noordwaarts richting Khartoum. We hopen morgen aan te komen en gaan op zoek naar een camping die Nederlanders hebben aanbevolen. Inshalla!

Zaterdag 26 januari 2002

We staan op de camping in Khartoum. De laatste kilometers naar Khartoum waren gemakkelijk, alhoewel het asfalt af en toe grote gaten liet zien. Het zoeken naar de camping, ondanks de plattegrond die we gekregen hadden, viel niet mee. Uiteindelijk tegen het middaguur al aangekomen. De camping, Welcome, is eenvoudig maar ligt rustig en heeft veel schaduwplekken. De eigenaar, Isaac is een Soedanees met een blanke huidskleur. Hij spreekt goed Engels en kan veel regelen. Op de camping zien we Pascal terug, de Belg die we in D'Njamena al ontmoet hebben. Ook staan er twee Zwitsers. Gezellig, avondje met een kampvuurtje. Helaas geen alcohol, maar we hebben zelf nog een beetje. We zijn dolblij dat we eindelijk hier zijn, het zwaarste hopen we gehad te hebben en we kijken enorm uit naar Pier en Jaquelien.
Dan krijgen we het afschuwelijke bericht dat Pier en Jaquelien uit Tanzania vertrekken. Jaquelien en de honden vliegen naar huis, Pier werkt tot eind februari en rijdt dan de wagen terug naar Nederland. Het valt allemaal tegen daar in Tanzania. We horen het van Martin, een vriend en denken eerst nog dat het een grap is van Martin. Maar helaas, de volgende avond bevestigt Pier het bericht. Ons hele doel lijkt weg te vallen; op naar Tanzania en dan samen met Pier en Jaquelien en de honden verder reizen. We zijn er even goed ziek van maar realiseren ons dat het voor hen nog veel erger is.
We gaan proberen Pier nog te zien in Kenia of Tanzania alwaar onze wegen zullen scheiden; hij terug naar Nederland en wij naar het zuiden van Afrika.
Dan richten we ons maar weer op de auto. Volgens Wim valt het wel mee met het verenpakket en de schokbrekers kunnen afgesteld worden. Dat is een geruststelling. Helaas begeeft de ijskast het een beetje; hij koelt niet goed meer en draait voortdurend. Wim probeert er wat aan te doen en nu doet ie het helemaal niet meer. Isaac, de campingeigenaar kent iemand die wat weet van ijskasten en we wachten maar even af.
Morgen gaan we naar de Ethiopische ambassade voor een visum, naar de bank en internetten. We hopen dat het eindelijk eens gaat lukken met (oude) foto's.
Het gaat goed met ons, ook met de honden. Alle vier zijn we in goede gezondheid en ondanks het veranderen van plannen, nog even enthousiast om verder te gaan.

Heel veel liefs, Wim, Monique, Kim en Brown