Het is een nieuw jaar, een jaar met nieuwe uitdagingen en verrassingen.
Wij hebben al onze vingers nog en hopen dat jullie er ook nog 10 hebben.
De laatste update kwam vanuit Zinder, Niger. Het lukte ons om met behulp van
Ali een internetplek te vinden. Stervensduur en ontzettend langzaam. Foto's
lukken nog steeds niet, die houden jullie nog tegoed.
In Zinder hebben we een nacht gestaan bij Hotel Central, op een achteraf plek.
Een onrustige nacht met veel lawaai. Wel dicht bij de markt waar we de volgende
dag boodschappen hebben gedaan, in alle rust met Ali aan onze zijde. Dat scheelt
toch wel als je een local bij je hebt. Natuurlijk willen ze er wat voor hebben
maar we hebben aanstekers genoeg.
Ze zeiden ons dat er geen diesel bij de pompen te krijgen is, slechts uit grote
drums is diesel verkrijgbaar (uit Nigeria). Ze boden het aan voor een hogere
prijs (400 CFA= f 1,35) dan normaal bij de pompen (350 CFA). We hadden voor
ons zelf al gezegd dat we geen diesel uit drums zouden kopen omdat we bang zijn
voor slechte kwaliteit. We hadden nog wat nodig en zij bleven over de prijs
onderhandelen. Wim is niet gek en is, voordat de onderhandelingen afgelopen
waren, even snel naar de benzinepomp dichtbij gelopen. Daar was inderdaad geen
diesel te krijgen maar verderop bij de Mobilpomp was voldoende diesel in voorraad.
Wim nijdig op die onderhandelaars en zei uiteindelijk dat hij het zelfs niet
voor niets wilde hebben.
De volgende dag gewoon getankt bij de pomp, dan ben je er bijna zeker van dat
je goede zuivere diesel hebt.
Toen naar de camping ten noorden van Zinder. Ruimte, rust en stilte. Helaas
geen andere toeristen. Op oudejaarsdag heeft Wim oliebollen gebakken. 's Middags
tegen 4 uur zeiden we nog tegen elkaar dat dit een rustig Oud en Nieuw zou gaan
worden, zo met elkaar. Waarschijnlijk om 9 uur naar bed en de wekker zetten.
Maar, dan komen er opeens overlanders aan. Acht in totaal, Australiers, Kiwi's,
Engelsen, Schotten en een Belg. In een Mercedesvrachtwagen en een Toyota Landcruiser.
Het zijn allemaal mensen die jaren overlandreizen hebben begeleidt. Tja, dat
veranderde de hele avond. Gezellig met elkaar aan het bier, rotjes, een kampvuur
en een SOS-pijl middernacht. Hartstikke leuk.
De volgende dag rustig aan bijkomen. Het is een druk stel met elkaar. Houston
wordt regelmatig opgeroepen omdat er problemen zijn. Alles wordt met de camera
vastgelegd.
We vertrekken de volgende dag, 3 januari. De overlanders gaan de andere kant
op en we nemen weer afscheid.
De weg naar de grens met Tsjaad is geasfalteerd. Niet overal even goed, maar
het is te doen.
Bij de grens van Niger (wat is het eigenlijk, de Nigerse grens?, hoe heten de
inwoners van Niger?, geen Nigerianen want die komen uit Nigeria.) hebben we
weer even problemen. De douane wil geld zien, 10.000 CFA. Waarom? Tja, we betalen
minder dan de helft en krijgen een reçu voor extra administratieve handelingen.
Het duurt altijd zo lang en er moet zoveel onderhandeld worden, dat gaat tegenstaan.
Dan Nguimi door, de grensplaats. Hier houdt ook de weg op, nu bestaat de route
om Lake Chad uit piste. En zoek maar eens de juiste piste, uit een dorp zijn
er altijd meer routes. Het is eerst al een probleem om het dorp uit te komen,
met die grote vrachtwagen tussen de lemen huisjes door. We vinden uiteindelijk
de landingsbaan van het vliegveld en daar gaan we dan maar op rijden. Rijdt
lekker zo'n geasfalteerde baan en het kan niet missen want het wordt aangegeven
door enorme vliegtuigbanden. Maar dan houdt het op en gaan we het zand in. Natuurlijk
de banden af laten lopen en rustig aan verder. We vinden bandensporen van vrachtwagens
en die blijven we volgen. Dat kan niet missen voor de komende dagen. We lijken
wel padvinders op zoek naar het juiste spoor.
Het is geen woestijn zoals we ons dat voorstellen van de Sahara. Het is begroeid
met lage struikjes en er staan bomen. De bodem is droog en zanderig. Het is
savanne. De nacht staan we een stukje van de route af. We horen slechts een
wagen voorbij komen.
De volgende dag naar de grensovergang van Tsjaad. We zien niets en komen niemand
tegen. Behalve dan nog een leger-controlepost van Niger. Springen er op eens
zo'n 15 man uit een tent, een paar zwaaiend met geweren. Dat is even schrikken.
Ze willen de paspoorten zien en natuurlijk cadeautjes. Voor mij heeft het iets
bedreigends maar Wim gaat rustig en gezellig met ze kletsen en met drie sigaretten
is de doorgang geregeld.
Ook de grenspost van Tsjaad doemt opeens op uit het niets. Hutjes van stro,
een troosteloze bende. Natuurlijk weer praten en nog eens praten. Het paspoort
wordt gestempeld, het carnet alleen op de achterkant, dat moeten we in het plaatsje
Bol regelen. En daar willen we ook naar toe, want Wim Bol moet naar Bol toe.
We reizen verder door het zand, de karige begroeiing blijft en de bodem wordt
bedekt met droog gras met van die verschrikkelijke stekels. Nog steeds volgen
we de trucksporen. Aan de GPS hebben we niet veel, behalve dat je kunt zien
welke kant je op gaat. Plaatsen staan er niet op, zeker te onbelangrijk of onbekend.
We komen niemand tegen. Toch maak ik me geen moment ongerust; de sporen leiden
altijd ergens naar.
Onderweg vindt Wim nog een koeienkop met enorme horens; die moet weer bovenop
het dak van de cabine en zal onderweg de nodige blikken op zich geworpen krijgen.
We komen twee keer vast te zitten. Eigen schuld, we gaan van de piste af en
dan lijkt het alsof het met gras begroeide zand hard is maar dat is niet zo.
Eenmaal gebruiken we de zandplaten, de andere keer laten we de banden verder
aflopen. Het gaat allemaal goed.
Nog wel een lekke band, de band die we de vorige reis in Nouackchott op het
strand kapot gereden hebben is nu aan het leeglopen. Een goed begin van de dag,
het is 08.00 uur. Gelukkig nog helemaal niet warm, het kan altijd op een slechter
moment van de dag. Even een bandje verwisselen. Dat gaat redelijk snel, het
terugplaatsen van de oude band duurt bijna langer.
Bij de afslag voor het plaatsje Bol zien we overlanders; 2 Nederlanders Monique
en Erik die vanuit Zuid Afrika komen. Zo zie je dagen niets of niemand en dan
zijn er zo maar weer twee Nederlanders. Even kletsen en informatie uitwisselen.
Zij hebben het visum voor Soedan in Ethiopie gehaald en dat duurde 4 dagen.
Dan naar Bol. Hier zien we dan ook voor het eerst het water van Lake Chad. Ach,
ik heb wel vaker meren gezien en het valt dan ook een beetje tegen. Er is geen
groots uitzicht op het meer.
De politie in Bol is correct, we krijgen stempels in het paspoort nadat we een
formuliertje met gegevens hebben ingevuld en pasfoto's hebben gegeven. Dan naar
de douane, een stukje verder het dorp in, aan het water. We staan daar even
mooi, onder de bomen en 20 meter vanaf het meer. Ach, bij de douane is de stempelman
er even niet, ze gaan hem zoeken. Dat duurt en duurt. Ondertussen hebben zich
zo'n 50 kinderen zich verzameld om de vrachtwagen. Die kun je wel even bezig
houden maar dan komt opeens die ommekeer; ze gaan steentjes gooien, klimmen
op de wagen, jatten de stickers eraf. En geen volwassene die uit zichzelf iets
doet. Wim is ondertussen aan het mee zoeken naar de man van de stempels dus
ik sta daar een beetje mezelf op te vreten. Boos worden heeft geen zin, vinden
die kutkinderen alleen maar leuk. Als ik dan een douaneman vraag om in te grijpen
gaat hij met stenen gooien naar de kinderen. Afgrijselijk natuurlijk, maar het
helpt wel voor 10 minuten.
Uiteindelijk gaat Wim met iemand mee naar het huis van de stempelman en komt
nijdig terug. Het is vandaag zaterdag en alleen voor 10.000 CFA wil hij stempelen.
Nou, dan maar niet.
Geen succes dat plaatsje Bol; 3 uur wachten op niets, stickers gejat van de
auto, bekogeld met steentjes en geknepen in benen, armen en borsten. Snel weg.
Dan over een verharde weg richting N'Djamena, de hoofdstad van Tsjaad. Dat verharde
van de weg is ver te zoeken. De oorspronkelijke weg is wel 30 meter breed, alleen
lijkt het alsof er een slagveld heeft plaatsgevonden. Gaten en kuilen in de
weg, sleuven en groeven overal. En geen kleintjes, een personenauto kan er eenvoudigweg
in verdwijnen. Een rot stuk uiteindelijk. Zo zie je maar, vaak is een onverharde
weg met zand veel beter te berijden dan een verharde weg. Afstanden zijn dan
ook een relatief begrip hier.
Natuurlijk weer controles onderweg, dat kost tijd. Maar 80 kilometer voor N'Djamena
is de weg zo glad als wat en kunnen we aardig door rijden. Natuurlijk weer controles
en weer die kinderen die direct aan de wagen hangen. Nu pakt een douanier een
stuk tuinslang en gaat daar wild mee om zich heen slaan. Idioot eigenlijk, die
kinderen hebben geen respect maar anderzijds hebben die volwassenen geen respect
voor kinderen want wie gaat er nou, om iets gedaan te krijgen, stenen gooien
of met een stuk tuinslang slaan? Nee, leuk zooitje hier.
We komen zondagavond aan in de hoofdstad, net voor de schemer. Doorrijden want
de verlichting van de auto doet het niet meer zo goed, net als de remlichten.
We staan bij het Novotel. Ze geven hier toestemming om te kamperen op het ommuurde
terrein. Gratis, water in overvloed, bomen en zelfs een warme douche bij het
zwembad. Alhoewel je voor het zwembad moet betalen. Maar, een prima plek.
We eten in het hotel, als een soort beloning voor de afgelopen dagen en omdat
we binnenkort een jaartje getrouwd zijn. Tja, dan krijg je dat soort herinnerherinnerdagen.
Uitgebreid en lekker gegeten.
Gisteren aan en in de auto gerommeld, vandaag gaan we maar eens op zoek naar
een bank, internetkantoor en de douane. Dan op weg naar Soedan.
Zaterdag 12 januari 2002
Tja, dat zoeken naar een internetkantoor, een bank en de douane was geen succes.
Bij het hotel aan mannen van het autoverhuurbedrijfje (met of zonder chauffeur)
gevraagd naar de weg naar het douanekantoor. Uitgelegd en voor ons een gratis
lift geregeld naar het douanekantoor. Wel moest ik maar even mijn kettingen
en armband afdoen want die zouden wel eens afgerukt kunnen worden. Bij de douane
worden we van de een naar de ander gestuurd. Het lijkt erop alsof ze het carnet
de passage (tijdelijk invoerdocument voor de auto die men bij binnenkomst en
uitgang van een land moet stempelen) niet kennen. Dan krijgen we een persoonlijke
lijfwacht in burger (ja, ze lopen hier met en zonder uniform) die vertelt dat
we naar de grensovergang met Kameroen moeten, daar kunnen ze het stempelen.
Die grensovergang is 15 kilometer verderop. Tja, het is toch onze schuld niet
dat ze niet wilden stempelen, ik word er een beetje moe van. Moeten we nog wel
laten stempelen, die Nederlanders in Bol hadden hun carnet ook niet gestempeld;
bij de grensovergang van Soedan naar Tsjaad is er niet eens om gevraagd. Toch
doen we het maar, we willen niet straks meer problemen krijgen. Met die vent
een taxi in. Dan overstappen als we de rivier de Chari overgaan. Wel makkelijk,
hij regelt het wel. Natuurlijk moeten wij betalen. Dan de grensovergang. Daar
is een ommuurd terrein met een groot hek. Voor dat hek staan honderden mensen.
Onze man leidt ons er doorheen maar wordt bij het hek door de gendarmerie net
zo hard teruggeduwd als de anderen. Het gaat er ruig aan toe. Uiteindelijk komen
we erdoor omdat onze man natuurlijk mensen kent. Dan laten stempelen. Duurt,
duurt voordat de juiste man gevonden is. Ondertussen al dertig keer handjes
geschud en geglimlacht. De chef van het hele spul gaat aan de slag met het carnet.
Hij snapt er werkelijk geen jota van en samen met Wim en nog twee mannen lukt
het de man om stempels te zetten en handtekeningen. Hij wil zelf al het gedeelte
invullen wat bij uitgang van het land gedaan moet worden. Ik kan hem er nog
net van weerhouden.
Dan weer terug. We kunnen weer meerijden met een bekende van onze man. Maar
dan, dan stappen we uit de auto en begint het gesodemieter. Hij wil natuurlijk
geld zien. Hij is wel 3 uur van kantoor geweest, hoe moet hij dat verantwoorden?
We houden ons een beetje stom en zeggen dat we slechts 1500 CFA (5,00) hebben
en dat we nog naar de bank moeten. Nee, hij moet wel 10.000 CFA hebben anders
gelooft zijn chef het niet. Gelukkig zijn de banken ondertussen alweer gesloten.
Na veel gesoebat glippen we tussen het handenschudden met vriendjes er tussen
uit. De douaneman komt morgen wel met zijn chef naar het Novotel.
Met de taxi terug naar het hotel. Zo'n paar uurtjes onderweg kost meer energie
dan een dag door het zand rijden. Het is druk, onrustig en altijd dat gezeur
over geld, geld en nog eens geld.
De volgende dag naar de bank. Even zoeken maar uiteindelijk wisselen we voor
de bank. Lekker snel en zwart voor een goede koers, 1 Dollar voor 760 CFA, ongeveer
2,50. We zien een internetkantoor en gaan even naar binnen. We zijn samen bezig
maar het lukt mij niet om berichten te openen, Wim heeft ook problemen. Uiteindelijk
zijn we een half uur bezig en hebben niets bereikt. Daar word je ook niet vrolijk
van. Ik zag volgens mij een nieuw bericht uit Yerseke maar heb het helaas niet
kunnen lezen. De volgende keer dan maar weer. Boodschappen gedaan; lekkere grote
plakken ham zoals je die ook bij de AH haalt. We smullen vreselijk; vers stokbrood
met Hollandse kaas en Belgische ham.
Dan wordt het tijd om te vertrekken richting Soedan. De overnachtingen bij het
Novotel zijn gratis, alhoewel er wel verwacht wordt dat je wat geeft aan de
Security. Dat doen we dan ook netjes want dit hotel is een goede mogelijkheid
voor overlanders om te verblijven en het zou zonde zijn als het niet meer kan.
Met gemengde gevoelens over de bewoners van Tsjaad rijden we weg. Het zijn of
heel aardige mensen of het zijn vreselijke rotmensen. Ik vind het moeilijk hier,
het lijkt alsof je niemand kunt vertrouwen. Eerst de kat uit de boom kijken
terwijl dat bij ons thuis eigenlijk andersom is.
De weg naar Soedan. Het eerste stuk moeten we terug over asfalt, mjummie. Dan
krijgen we onverharde weg. Redelijk goed te berijden, we kunnen gemiddeld de
eerste dag 45 kilometer per uur rijden. Dat is voor ons goed. Met een personenauto
kun je veel harder en beter rijden.
We overnachten in het wild. Het landschap is savanne met grasjes en struiken.
Vooral tegen een uur of vijf is het prachtig. De zon heeft wat van haar kracht
verloren en het licht is zachter. De goudgele grasjes van een halve meter staan
te wiegen in de wind. Adembenemend.
De volgende dag iets minder goede weg maar we kunnen nog steeds door. Het blijft
veel spoorzoekertje spelen. Helaas staat er veel wind waardoor veel sporen onder
het zand verdwijnen. Natuurlijk mis je de grote groeven niet, maar de verse
sporen verdwijnen. En dat zijn nou meestal de beste sporen. We rijden een andere
route dan de directe weg volgens de kaart en de GPS. Maar de directe weg vinden
we niet en op deze toeristische route rijden toch de vrachtwagens. Misschien
is de directe weg slecht. We weten het niet.
Onderweg zien we dorpjes. Hutten gemaakt van riet in verschillende kleuren;
oud en beige of nieuw en goudgeel. We zien herders met grote speren lopen. Is
er hier soms wild? Helaas spreken de mensen hier bijna geen Frans en zijn we
zelf ook niet zo welwillend om contact te gaan leggen met de inwoners van Tsjaad.
We overnachten weer tussen het goudgele zwiepende gras. Geen leeuw gehoord vannacht
en gewoon heel goed geslapen.
Het is nu 07.30 uur in de ochtend, de temperatuur is gestegen tot 10 graden.
Vannacht zal het ongeveer 7graden geweest zijn. De zon staat al weer te schijnen,
de wind is weer wat aangewakkerd. We hebben er weer zin in; op weg naar Abeche,
de laatste grote stad voor de grens met Soedan.
Abeche is een stad die heel anders lijkt dan de andere plaatsen in Tsjaad. De
mensen zijn vriendelijk. Ik kan zelfs zonder dat ik wordt aangevallen brood
kopen. De politie is beleefd en de kinderen die om de auto komen staan, hangen
niet aan de auto maar willen praten over voetbal. Gelukkig ken ik nog wat namen
uit een ver verleden. Echt, dit stadje laat een heel andere indruk achter van
de mensen in Tsjaad. Zo kan het dus ook.
Dan naar de grensplaats Adre. Een zware weg voor ons; stenig en hobbelig. Enorme
gaten in de weg geslagen, geen mogelijkheid om langs de route te rijden. Droge
rivierbeddingen met mul zand van 50 meter breed (voor ons geen probleem) en
prachtige mangobomen. De omgeving verandert; meer heuvels, stenen, dalen met
grote groene bomen, rode aarde. Dan komen ons twee motorrijders tegemoet. We
kijken of het negers zijn, ik heb al eens eerder razend enthousiast gezwaaid
naar motorrijders die gewoon van hier kwamen. Ze rijden voorbij, de eerste lijkt
wel een donkere. Dan roept Wim, die de kentekenplaten ziet, dat het Nederlanders
zijn. Wij, en ook zij stoppen. En daar zijn Ruud en Guus. Twee Nederlanders
die op een Honda 600 vanuit Zuid Afrika naar Nederland rijden. Zwaar bepakt
en geladen.
Tja, dan moeten we maar een kamp opslaan en met elkaar eten en drinken. Het
wordt me nu weer eens duidelijk wat voor verschillen er kunnen zijn per vervoermiddel.
De wegen die voor ons goed zijn (zand) zijn voor hun te zwaar, wegen voor hun
goed (hobbels en bobbels) zijn voor hun goed omdat ze een veel kortere remweg
hebben, dat gaat allemaal sneller dan met een logge vrachtwagen. Natuurlijk
ook de bagage. Hebben zij slechts een set schone kleren bij zich (tja jongens,
het is ook wel te zien), wij hebben gewoon onze hele klerenkast meegenomen.
Eten, wij lijken hier wel een SRV-wagen. Zij kunnen niets extra meenemen.
Ik prijs me dan ook elke dag weer gelukkig met alles wat we hebben; van warme
douche tot Nederlandse kaas. Ook neem ik mijn petje af voor diegenen die op
deze manier zo een reis maken. Wel zijn we het erover eens dat water en brandstof
de twee meest belangrijke zaken zijn die je mee moet nemen. Natuurlijk moet
ook het voertuig in orde zijn, maar water en brandstof, daar gaat het om.
We wisselen informatie uit en hebben een gezellige avond in de bush van Tsjaad.
Eerst nog even buiten, gadegeslagen van 15 meter afstand door een local. Die
ziet waarschijnlijk een soort soapserie; 4 blanken op een kleedje, ze drinken
wat en zitten maar met een stuk papier te wapperen (de kaart). Dit hadden we
nooit verwacht, maar uiteindelijk kom je die reislustige Nederlanders overal
tegen. Guus vertelde dat hij in twee dagen zijn visum voor Soedan geregeld heeft,
in Nederland. Het is dus mogelijk om het snel te doen.
De volgende ochtend gaan we weer uiteen. Guus is een beetje slapjes in de benen
en voelt zich niet zo lekker. Toch gaan rijden, want wat moet je anders hier
in de bush. Hoe kwetsbaar ben je, je hoopt altijd maar dat alles goed gaat.
Richting de grens. De weg wordt voor ons wat beter. Het is een warme dag ondanks
dat de wind lekker koel is. Luchtvochtigheid kennen ze hier niet. Ons metertje
gaan tot een minimum van 20% maar dat is al vaak te veel.
In Adre krijgen we weer de gendarmerie (altijd lastig), de douane (geen enkel
probleem met het carnet) en de politie. Kost allemaal niets. Terwijl we staan
te wachten wijzen kinderen op de rechtervoorband. Pssst. Pssst. Ojee, lekke
band. We rijden een stuk het dorp uit en parkeren de wagen onder een boom. Dan
gaat het karwei weer beginnen. Nu wat meer moeite met het er af halen van de
lekke band terwijl het plaatsen van de lekke band tussen de cabine en container
wat eenvoudiger gaat. Al met al toch twee uurtjes bezig. Deze tijd worden we
bekeken door een zestal jongetjes van zo'n jaar of 10. Op afstand want Brown
heeft van zich laten horen. Tegen de tijd dat we bijna klaar zijn komt er een
oude man naar ons toe en dan durven de kinderen mee te komen. Je kunt geen woord
met elkaar wisselen maar de man bralt maar door. Dan maar een snoepje uitdelen,
de kinderen hebben tenslotte nog nergens om gevraagd. Ze zijn te bang om het
aan te pakken en pas als de oude man (zonder gebit) zijn snoepje heeft durven
ze dichterbij te komen. Maar ze pakken angstig het snoepje aan van een meter
afstand. Dan klinkt het zachtjes uit 6 kinderkeeltjes "Soekran". Zo
kan het dus ook.
Het stuk niemandsland is klein, al snel een Soedanese post. Ze spreken een beetje
Engels. We kunnen door naar El Geneina waar de formaliteiten geregeld moeten
worden. Door het mulle zand, over grevelweg en over rotsen rijden we naar El
Geneina, zo'n 35 kilometer verder. Het is al laat in de middag ondanks dat de
klok hier een uurtje teruggaat (we lopen nu 1 uur voor op Nederland). Bij het
douanekantoor is het een drukte van belang, allemaal grote volgeladen vrachtwagens
die staan te wachten. Veel goederen staan op de grond. Wij moeten eerst naar
de Immigratie, maar die is al gesloten. Wim heeft het zo geregeld dat we op
het terrein van de Immigratie kunnen overnachten, bewaakt en weg van al die
mensen.
De volgende ochtend begint het wachten; pas om 9 uur is er iemand van de immigratie.
Een papiertje wordt in het Arabisch ingevuld (ik ben een man uit 1970) en dan
weer wachten op de Security. Dat wachten duurt tot 13.00 uur. De wagen staat
vast bij de douane (bij al die andere volgepakte vrachtwagens en pick-ups).
Ik houd de wacht terwijl Wim heen en weer loopt van de politie naar de security,
van de security naar de politie, van de politie naar de douane enz. Voor mij
is het een rustige tijd; voorin de cabine met de honden en een goed boek. Van
de Soedanezen heb ik helemaal geen last, ze zijn vooral nieuwsgierig naar de
honden. Er is slechts een man die weer om iets vraagt, dat is een man uit Tsjaad.
Tja, die honden die doen wat hier. Overal kijken ze nieuwsgierig en vol bewondering
naar de cabine. Eerst zien ze natuurlijk die enorme koeienkop met hoorns en
dan nog twee van die beesten daar binnen. Ze zijn niet echt bang voor honden,
wel voorzichtig en vragen altijd of ze gevaarlijk zijn. Nou, kijk Brown maar
eens goed aan dan weet je dat het gevaar ver te zoeken is.
Bij de immigratie krijgen we stempels. Sinds korte tijd is het niet meer nodig
om een travel permit te hebben. Om je daarvan te vrijwaren krijgen we een extra
stempel (Arabisch) in het paspoort. Kost wel 8700 Soedanese dinar. We hebben
100 Dollar gewisseld bij een mannetje wat hier rondloopt en kregen daarvoor
26.000 Dinar. We gaan er voor het gemak dan ook vanuit dat 8700 Dinar 87 gulden
is (in Euro weet ik het nog niet zo snel). Lekker eenvoudig. Brood kost 25 Dinar,
25 cent. En weer van die platte broodjes, ze lijken op pita-broodjes van de
shoarma-tent.
Na een lange en voor Wim drukke ochtend rijden we weg. We gaan richting Nyala,
de meest bereden route. Het is slecht terrein, rotsig en zanderig. We hobbelen
weer wat af. Het is hier in Soedan warmer dan in Tsjaad, nu ongeveer 30 graden
of meer in de middag. Als we uiteindelijk weer een plek gevonden hebben is het
alweer tegen het einde van de middag. Ojee, Wim hoort niet alles maar soms heel
veel. Onderweg hoorde hij al wat en nu ziet hij het; de luchtketels waren losgescheurd
(voor de leken onder ons, zoals ik; lucht is nodig voor de remmen, de 4X4 is
luchtbediend, dus zonder lucht komen we geen meter vooruit). Gelukkig nog niet
helemaal anders waren ze eronder uit gevallen, maar ze moeten wel met spanbanden
vastgemaakt worden en dan maar hopen dat het blijft zitten. Na een onrustige
nacht met het geluid van aapjes (waarschijnlijk een soort Gibbonaapjes die we
op de dag al gezien hebben) beginnen we de volgende dag aan de spannende reis
naar het eerstvolgende grote dorp of stad. Nog even overwogen om terug te rijden
naar de grensplaats maar dat doen we toch maar niet. En gelukkig, een beetje
boven verwachting, komen we tegen het middaguur aan in Zalingei en daar kan
gelast worden. We hebben veel bekijks. Terwijl er gewerkt wordt aan de auto
staan er wel honderd kinderen om ons heen. Allemaal nieuwsgierig. Van een meisje
krijg ik een prachtige heldergele kauwgombal. Het ontroert me. Als ik het marktje
op loop word ik gevolgd door een grote groep kinderen, maar allemaal op afstand.
Wat een tegenstelling met die etterkinderen uit Tsjaad. Als het werk geklaard
is geeft Wim de man een set sleutels waar hij blij mee is en een polaroidfoto
van de man aan het werk. Alleen maar blijde gezichten.
Men had al gezegd dat de mensen in Soedan aardig zijn, nou dat klopt. Ze lachen,
soms ook hard en giechelend vooral de meiden, en zwaaien bijna de arm uit de
kom.
Na Zalingei gaan we op weg naar Nyala. Krijg nou wat, er is een teerweg. Niet
helemaal glad, maar het aantal gaten valt mee. Overnachting in de bush. Elke
plek is weer anders. Wat me het meest pleziert is de enorme stilte die overheerst.
Zo'n absolute stilte kennen we in Nederland niet meer.
De volgende dag over de teerweg naar Nyala. De muziek kan weer aan, we kunnen
er eindelijk van genieten, zo'n 180 kilometer lang. Dan door Nyala en weer op
de goede weg terechtkomen naar Ed Da'ein. Dat is het meest moeilijk onderweg;
vanuit een dorp weer de goede sporen vinden. Nu krijgen we een spoor aangewezen
langs de spoorlijn. Tja, we rijden maar. Uiteindelijk is het niet de route die
op de kaart of GPS staat, maar het kan eigenlijk niet missen. We gaan soms een
stuk van het spoor af of gaan over het spoor maar het komt allemaal goed. Net
als we ons afvragen of er wel een trein zou kunnen rijden over dit smalle spoor
komt de trein er aan. Een kleurige locomotief met enkele wagons erachter. Onderweg
zien we veel dorpjes met een soort opslagplaatsen voor granen. Ze verzamelen
het, vermalen het en doen het in zakken. De trein zal het verder transporteren.
Dat we de vrachtwagenroute rijden (niet alleen vracht maar ook heel veel mensen
gaan mee op de vrachtwagen) wordt iedere keer duidelijk als we een dorpje binnen
rijden. Veel eettentjes, heel veel. Allemaal van golfplaat of gedroogde graanstengels,
allemaal het zelfde en overal aardige mensen. Bij het vragen naar de route wordt
duidelijk dat men Arabisch spreekt en geen Engels. Helaas voor ons. Het blijft
altijd een beetje vaag. Mensen hier kennen ook geen wegenkaart, elke weg hier
gaat naar een grote plaats, het is maar net hoe je het ziet. Afstanden zijn
voor hun onbekend, natuurlijk ook overbodig. Het gaat, als het al ergens om
gaat, om de tijd. En tijd is heel relatief, gelegen aan het vervoermiddel waarmee
je bent. De piste die wij nemen kan door een personenauto gereden worden met
een gangetje van 70, wij kunnen niet harder dan 30 km per uur.
Dan zonder problemen in Ed Da'ein. En dan gaan we verkeerd. Of wat is verkeerd?
Je weet het niet. Op de kaart (de GPS geeft helemaal geen duidelijkheid) staan
een piste en een aardeweg. We willen eigenlijk de aardeweg maar komen terecht
op de piste. Zand, zand en hobbels en bobbels in het zand. De afstand vanaf
Nyala tot aan En Nahud is de afstand tussen Hoek van Holland en Den Helder en
dat drie keer, door de duinen. Het worden zware dagen. De wagen lijkt ook meer
kuren te gaan vertonen; de veren? de schokdempers? het geboink onder de wagen
vandaan? Oh, wat zullen we blij zijn als we eerst maar in En Nahud aankomen,
dan is het nog zo'n 750 kilometer over betere weg. Sinds Nguimi, de grens tussen
Niger en Tsjaad hebben we slechte weg, veelal piste. We merken het aan ons zelf,
tegen het eind van de dag roept Wim van alles in de cabine; de k..weg, een k..dorp,
een k..ezel enz. Daarom stoppen we maar wat eerder, zo tegen 16.00 uur. Sinds
eergisteren zijn mijn biertjes op, dus geen lekker gekoeld pilsje meer aan het
einde van de rit. Dan maar aan de muscaatwijn, ook erg lekker. Hier in Soedan
is alcohol in de ban, dus kopen zal wel niet lukken. Maar we hebben nog wat
port, wijn en muscaatwijn. Zelfs nog cognac en jenever. Gelukkig hebben we de
tijd aan onszelf en kunnen we gewoon stoppen als wij dat willen. Maar we zullen
heel blij zijn als we eerst al in Khartoum aan komen. Daar kunnen we even bijkomen
en aan de wagen knutselen.
SMS'jes gekregen. Zo weet ik dat in Breukelen alles goed gaat, in Maarssen gaat
het zoeken naar een neiuwe auto door en Vinkeveen gaat op wintersport. Leuk
om te horen. Helaas gaat internetten nog niet, hopelijk in Khartoum.
Dinsdag 22 januari 2001
Gefeliciteerd Coen en Matthieu. Tja, je slaat de agenda open en ziet dat er
jarigen zijn vandaag. Natuurlijk ook nog iedereen die jarig geweest is, van
harte.
Eindelijk, Khartoum is in zicht, nog ongeveer 200 kilometer. Over asfalt. Tja,
dat asfalt zo iets heerlijks kan zijn dat je zelfs de grond gaat kussen, dat
is iets wat je ervaart na dagen en dagenlang zandpistes rijden.
We zijn dagen terug het plaatsje En Nahud gepasseerd en daarvandaan zou de aardeweg
beginnen. Voor ons is er geen verschil, het blijft zand, zand en nog eens zand.
Dwars door dorpjes heen. Dat is, na 8 uur asfalt rijden, toch heel aardig geweest.
Nu over het asfalt rijden we langs de dorpen, over de pistes kwamen we door
dorpjes. En dan echt er doorheen. Aan elke zijde van de auto een meter ruimte,
dan begon de omheining, gemaakt van gedroogde graanstengels. Het lijkt hier
alsof men in groepjes (families) bij elkaar woont. Binnen zo'n omheining, het
aantal verschilt per dorp, staan veel ronde hutjes met een puntmutsje, ook gemaakt
van graanstengels. Binnen de omheining lopen de kinderen, de ezels, koeien en
geiten. Net buiten de omheining ligt van alles, zelfs dood vee. Naast al deze
kleine gemeenschapjes zijn er de kralen voor het vee, die zijn omringd door
afgebroken struiken. Hier in Soedan zien we eigenlijk wel in elk beetje dorp
een watertoren, een vierkant vat van zwart/wit geblokt metaal. Toch meer voorzieningen
dan we gezien hebben in Tsjaad.
Onderweg rijden we in brede groeven, uitgesleten door de vele auto's en vooral
vrachtwagens. Vooral vrachtwagens omdat ze erg diep zijn en een personenauto
zou met de bodem slepen over het verhoogde middenstuk. We zien opeens voor ons
drie kleine kinderen, twee van een jaar of 6 en eentje van ongeveer 4. Rennend
door het spoor. Ze horen ons natuurlijk aankomen en klimmen uit het spoor. Echter,
het kleintje heeft het nog niet zo door en blijft als opgejaagd vee voor de
auto uit rennen. Een jongen staat van uit de berm te gebaren dat we moeten stoppen,
maar dat doen we al. Het kleintje probeert vanuit het spoor op de kant te klimmen,
maar dat is zanderig, stijl en toch nog zo'n 50 centimeter hoog. Het lukt niet,
totdat hij geholpen wordt. En daar staan ze dan, snikkend, bevend, huilend en
hijgend aan de kant. We geven ze maar een toffee om van de schrik te bekomen.
Het is aandoenlijk. Ook om hier de kinderen te zien, allemaal voddenbaaltjes.
De volwassenen zien er bijna allemaal verzorgd uit, maar kinderen zijn een sluitpost
op de begroting. Hier is het nog steeds een oudedagsvoorziening. Helaas. Ook
zien we echt kleine kinderen, 5 of 6 jaar die een kudde geiten of schapen hoeden.
Helemaal alleen met het vee. Nee, bij ons is het wel eens overdreven maar dit
is zeker niet goed. De kinderen (en natuurlijk ook de groten) zijn allemaal
verbaasd over de honden. Sommigen laat ik de honden aaien. Eerst bang, heel
bang en uiteindelijk een glimlach van trots van oor tot oor. En dat terwijl
hier toch ook honden zijn.
De mensen hier in Soedan zijn echt vriendelijk. We zijn al diverse malen uitgenodigd
om te blijven eten of wat te drinken. We hebben overnacht op een plek bij een
Baobab-boom. Eerst waren daar een tweetal jongens met paard en wagen die een
kwartier op afstand naar ons gekeken hebben. Ze zijn weggereden en we hoorden
ze roepen. Ik zei nog tegen Wim, nou die zijn de anderen aan het waarschuwen
en komen straks terug. En ja hoor, daar komen de twee jongens met twee volwassenen
terug. Alom vriendelijkheid. Ondanks het gebrek aan conversatie vragen ze ons
of we water of eten nodig hebben, en als er iets is dan wonen ze even verderop.
Dat is nog eens gastvrijheid terwijl ze zelf al zo weinig hebben.
De route. Ongeveer 100 kilometer voor El Obeid zien we asfalt. Yes, yes! Helaas
is het een proefvlak. Maar dan toch na 5 kilometer is het echt geasfalteerd
(zoals een leraar in een dorpje 25 kilometer terug ook gezegd had, net als dat
er 2 weken geleden twee Nederlandse vrachtwagens langsgereden zijn, met ene
Peter aan boord. (De familie Knol?).
We rijden helemaal in extase naar El Obeid. Geen gekloink meer van de wagen
(alhoewel nu de tussenbak weer gaat lekken) en de muziek kan aan. In El Obeid
tanken. Wim vraagt voor 5000 Dinar (50,=). En dan moeten we in het kantoortje
betalen; 7000 Dinar. Helaas, maar we hebben ook verder geen Dinar, alleen Dollars.
Wisselen doen ze niet, ze halen er zonder problemen weer diesel uit. Ze verontschuldigen
zich aan alle kanten terwijl het gewoon een communicatiefoutje was. Dan naar
Khartoum. Oei, een tolweg. Dat had niemand verteld. Tja, die 1000 Dinar is niet
genoeg, het is 3500 Dinar. Het duurt allemaal even en al het verkeer wordt opgehouden.
Maar niemand die toetert of boos wordt. Terwijl Wim converseert met de tolman
komt er aan mijn kant een Soedanees die in vloeiend Frans begint te praten.
Aardig, erg aardig en hij betaald voor ons de tol. Als ik de dollars wil pakken
om terug te betalen wil hij eerst van niets weten. Allons, a Khartoum, roept
hij. Hij rijdt voor ons uit met een oude vrachtwagen en 3 passagiers. We halen
hem in en we stoppen want ik wil de schuld betalen en een plekje gaan zoeken
om te overnachten. Uiteindelijk neemt hij het geld aan en kan nog meer wisselen
tegen een redelijke koers. Er stopt ondertussen ook nog een vriend van hem met
een vrachtwagen en 4 meerijders en zo staan we gezellig met elkaar een half
uur te kletsen. Allemaal lachen en op de foto. Ook een polaroid als aandenken.
Dan vraagt hij nog of we wel genoeg te eten en te drinken hebben. We nemen hartelijk
afscheid van elkaar. Ze zijn (tot nu toe) echt vriendelijk en hebben ook gewoon
de tijd voor dit soort fratsen. Bij ons beginnen we al te gillen als we 2 minuten
moeten wachten voor een stoplicht, hier nemen ze de tijd van de wereld.
Vandaag de White Nile overgestoken en nu noordwaarts richting Khartoum. We hopen
morgen aan te komen en gaan op zoek naar een camping die Nederlanders hebben
aanbevolen. Inshalla!
Zaterdag 26 januari 2002
We staan op de camping in Khartoum. De laatste kilometers naar Khartoum waren
gemakkelijk, alhoewel het asfalt af en toe grote gaten liet zien. Het zoeken
naar de camping, ondanks de plattegrond die we gekregen hadden, viel niet mee.
Uiteindelijk tegen het middaguur al aangekomen. De camping, Welcome, is eenvoudig
maar ligt rustig en heeft veel schaduwplekken. De eigenaar, Isaac is een Soedanees
met een blanke huidskleur. Hij spreekt goed Engels en kan veel regelen. Op de
camping zien we Pascal terug, de Belg die we in D'Njamena al ontmoet hebben.
Ook staan er twee Zwitsers. Gezellig, avondje met een kampvuurtje. Helaas geen
alcohol, maar we hebben zelf nog een beetje. We zijn dolblij dat we eindelijk
hier zijn, het zwaarste hopen we gehad te hebben en we kijken enorm uit naar
Pier en Jaquelien.
Dan krijgen we het afschuwelijke bericht dat Pier en Jaquelien uit Tanzania
vertrekken. Jaquelien en de honden vliegen naar huis, Pier werkt tot eind februari
en rijdt dan de wagen terug naar Nederland. Het valt allemaal tegen daar in
Tanzania. We horen het van Martin, een vriend en denken eerst nog dat het een
grap is van Martin. Maar helaas, de volgende avond bevestigt Pier het bericht.
Ons hele doel lijkt weg te vallen; op naar Tanzania en dan samen met Pier en
Jaquelien en de honden verder reizen. We zijn er even goed ziek van maar realiseren
ons dat het voor hen nog veel erger is.
We gaan proberen Pier nog te zien in Kenia of Tanzania alwaar onze wegen zullen
scheiden; hij terug naar Nederland en wij naar het zuiden van Afrika.
Dan richten we ons maar weer op de auto. Volgens Wim valt het wel mee met het
verenpakket en de schokbrekers kunnen afgesteld worden. Dat is een geruststelling.
Helaas begeeft de ijskast het een beetje; hij koelt niet goed meer en draait
voortdurend. Wim probeert er wat aan te doen en nu doet ie het helemaal niet
meer. Isaac, de campingeigenaar kent iemand die wat weet van ijskasten en we
wachten maar even af.
Morgen gaan we naar de Ethiopische ambassade voor een visum, naar de bank en
internetten. We hopen dat het eindelijk eens gaat lukken met (oude) foto's.
Het gaat goed met ons, ook met de honden. Alle vier zijn we in goede gezondheid
en ondanks het veranderen van plannen, nog even enthousiast om verder te gaan.
Heel veel liefs, Wim, Monique, Kim en Brown