Donderdag 19 september 2002

Daar zijn we weer! Nog steeds in het noordwesten van Namibië. Voor mij tot nu toe de mooiste omgeving sinds heel lange tijd. Natuurschoon en stilte zijn kenmerkend.
Maar we waren gebleven in Oshakati, daar waar we van spullen beroofd werden. We zijn snel verder gereden richting het noordwesten; Ruacana. De plaats hebben we nooit gevonden, maar wel de weg die we wilden volgen. Eerst nog een stuk over goede weg tot aan de grens met Angola. Eerst rijden we nog over een rustige en saaie vlakte en dan opeens komt er een afdaling van honderden meters. Je kijkt van boven af neer op een groot gebied met bergen, heuvels, struiken en water, we zijn er even stil van. Vanaf Ruacana hebben we de weg gevolgd langs de rivier Kunene, de grens tussen Angola en Namibië. De omgeving verandert; er zijn grote bomen langs de rivier, veel groen. De track is slecht met veel stenen en keien, maar goed te doen met de truck. We wilden toch een beetje off road? Onderweg zien we voor het eerst Himba’s, een volk dat in het noordwesten van Namibië woont. Het is een volk dat nog terug in de tijd leeft. Kenmerkend is dat de vrouwen zich insmeren met een mengsel van vet en oker, veel sieraden hebben (ook ingesmeerd met vet en oker), geitenvellen in het haar en om de lendenen dragen en topless rondlopen. Prachtig om te zien, ze ruiken echter niet zo aangenaam. Het is een penetrante lucht die je al van veraf kunt waarnemen. Maar ze zijn mooi die vrouwen, plaatjes om te zien. Niet zo zeer van uiterlijk als wel van voorkomen. De mannen daarentegen stellen niets voor. Geen smeersel, geen geitenvellen, soms een handdoek om hun middel gedrapeerd, geen imposante verschijning in ieder geval. Ze leven van het weinige dat deze omgeving te bieden heeft. Natuurlijk heeft ook de vooruitgang hier zijn intrede gedaan; “sweetie, sweetie” kennen zelfs de kleinste kinderen al. Jammer, maar dat is de schadelijke invloed van toeristen.
We staan een nachtje op een camping en reizen dan door naar Epupa Falls, watervallen gelegen in de Kunene. We kunnen helaas niet langs de rivier blijven rijden omdat de route te slecht is, we moeten qua afstand omrijden. Het is heuvelachtig, de weg redelijk en de temperatuur hoog. Dan zien we opeens de rivier weer en zijn daar ook de watervallen. Tja, als je de Victoria Falls net gezien hebt, dan valt het snel tegen. Maar deze watervallen zijn echt de moeite waard. Je staat heel dichtbij de kloof waar het water meters naar beneden klettert, het is wederom fascinerend om te zien. We staan op alledrie de campings die naast elkaar gelegen zijn langs de rivier. Verhuizen maar weer. Het maakt eigenlijk allemaal niet zoveel uit, alleen is er op de eerste veel lawaai van het neerstortende water.
Op de derde camping zien we ook (we horen ze eerst aankomen) Eric en Mirella weer. Etosha was prachtig en veel wild is er gescoord. We staan nog samen een nacht hier bij Epupa Falls en vertrekken met elkaar, E & M iets later dan wij, weer richting het westen. Het is voor ons echt vrijdag de dertiende. De meter van de oliedruk staat te hoog, de magnetronschaal valt uit de magnetron tijdens het rijden en breekt in duizend stukjes en de benzinetank voor de aggregaat slaat lek. We stoppen, Wim krijgt een elektrische opdonder en de oliedrukmeter staat weer goed. Jammer van de magnetronschaal en de lekke tank. En dan, achteraf vastgesteld, dat het niet eens vrijdag de dertiende maar zaterdag de veertiende is!! We hebben echt weer een (be)scheurkalender nodig. Herman! Herman komt eind november invliegen op Kaapstad en blijft een week. De eerste die de overtocht maakt en ons komt opzoeken. Of dat zo goed is voor hem weet ik niet, hij moet (als het kan) nogal wat meenemen en nu ook nog een (be)scheurkalender! Een idee (niet van mezelf, maar van Mirella)! Ik moet nog wel even overleggen met Herman zelf, maar het is natuurlijk mogelijk om foto’s en brieven mee te geven aan Herman als hij deze kant op komt. Geen pakketten, we hebben hier kaas, drop en van alles en Herman moet al genoeg andere dingen meenemen. Ik zal, als het goed is, het adres opgeven van Herman zodat jullie de spullen daarnaar toe kunnen brengen of sturen. Herman komt op 27 november heeeeeeeeeel vroeg in Kaapstad aan, dus tot die tijd kunnen jullie van alles maken.
Nu weer de reis. Onderweg ontmoeten we meer mensen van de Himba-stam. En nog steeds is het sweetie, sweetie. We kamperen in een rivierbedding. Al snel komen daar de eerste vrouwen en kinderen. Prachtig zien ze eruit. Om aandacht te trekken gaan ze een beetje dansen, springen en giechelen, “sweetie” lijken ze nog niet te kennen. Het is niet vervelend, het is eigenlijk wel leuk. Er gaat geen dreiging of opdringerigheid van uit, meer enthousiasme en interesse. Dan moet er maar geruild gaan worden. Mirella haalt haar tasje te voorschijn en begint. Ogenschaduw! Eerst maar eens op doen bij de dames. Zelfs de baby moet ook een beetje. Dan kralen, pennen, ballonnen, sleutelhangers van Beversport (als oorbellen). Alles wordt geruild tegen kettingen en armbanden. Helaas allemaal te vies om vast te pakken (vet en oker) maar we stoppen het gauw in een plastic zakje om ze later te laten drogen in de zon.
Het mooist is het de volgende ochtend. Mirella is al vroeg in de weer en weldra zien we een Himba meisje met een plastic regenjasje, zo’n ding voor eenmalig gebruik bij ons, ooit gekocht voor een gulden of zo. Stralend van geluk en trots heeft ze dat plastic ding aan en springt en danst ermee in de rondte. Enerzijds schamen we ons; wat moet zij daar nu mee? Anderzijds wilde ze dat perse hebben. Ziet men in de toekomst Himba vrouwen (de mannen zie je niet, die hoeden het vee) met plastic regenjasjes, ogenschaduw en oorbellen van Beversport dan weten jullie hoe dat komt. Wie had het ook al weer over de invloed van toeristen???
We trekken verder en dan scheiden onze wegen. Eric en Mirella nemen de “Van Zijl’s pas”, een pas die voor de truck niet te doen is (zeggen ze, maar we willen het toch niet eerst zelf uit proberen want je komt op een moment dat je niet meer terug kunt). Voor de zoveelste keer een afscheid, wie weet wanneer we elkaar weer zien.
Wim en ik rijden rustig aan naar het zuiden, een stukje om. Niet dat dit nou een vlakke en gemakkelijke route is. Soms heel stijl, het pad overladen met losliggende rotsen en stenen, dan weer heel smal waardoor we het raampje verder kapot rijden. Het ontbreekt hier aan borden of andere aanwijzingen; we rijden op gevoel en een beetje op de GPS. Helaas hebben we geen of weinig coördinaten dus moeten we vooral op gevoel afgaan. We zien veel sporen, maar volgen toch steeds het goede. Van een weg is al geen sprake meer, het zijn uitgesleten sporen die niet kunnen missen (alleen bij een kruising natuurlijk, moeten we wat? Wat moeten we dan? Links? Rechts? Rechtdoor???).
Gelukkig gaat het allemaal goed, ons gevoel is in orde. Helaas is ook de kaart niet helemaal goed die we hebben, dus we rijden maar een beetje. Je ziet niets of niemand, het is een verlaten gebied. Op de kaart staan plaatsjes die we niet tegenkomen, of het moeten die drie verlaten hutten zijn. Het plaatsje Rooidrum is niets meer of minder dan een rood vat op een splitsing. Eric en Mirella hebben een boodschap achtergelaten, ze hebben de “Van Zijl’s Pas” gedaan.
Wim en ik rijden verder westwaards, richting de Hartmannvallei. Dat is een gebied waar je door kunt rijden, richting de grens met Angola. Oj, wat is dat? Een lekke band!!!! Gelukkig is het nog niet zo heel erg warm, maar we staan natuurlijk wel net weer in de brandende zon. Het gaat redelijk snel, binnen anderhalf uur rijden we weer verder. Maar het kost, zeker voor Wim, wel 5 uur aan energie. De route is een track die voornamelijk uit stenen bestaat. De truck is breder dan de auto’s die er normaal over rijden waardoor het wat te smal is voor ons en de banden aan de zijden opdonders krijgen. Deze band is niet meer te redden en laten we achter. Scheelt weer 100 kilo! Onderweg komen we wel een waterpomp tegen en vullen weer aan. Helaas stikt het er van de bijen en moeten we snel wegwezen. We zien verder geen mens of ander dier dan die bijen.
Dan rijden we de Hartmanvallei binnen. Niets meer of minder dan een track. Volgens de kaart mag je in de vallei niet kamperen, maar tegen de Angolese grens is het wel weer toegestaan. Een stuk van ongeveer 70 kilometer. Helaas, we zullen er nooit komen. Ligt het aan de kaart, aan de GPS, de intuitie? We rijden de eerste dag een stukje in de vallei en zetten de truck op een mooie plek. Helaas hebben we wat bijen meegenomen die aangetrokken zijn door het water. Het stikt ervan, gelukkig gaan ze ook slapen als het kouder wordt. Kouder worden? Nou niet echt. Het is op de dag bijna 40 graden, ’s nachts koelt het af tot ongeveer 25 graden.
De volgende dag richting die kampeerplek. De verkeerde route (nergens een bordje)? We belanden in een rivierbedding waar geen eind aan komt en sporen ophouden, komen 4 keer vast te zitten en krijgen nog een lekke band. Een grote houten pin, misschien nog te maken.
En dat terwijl de zon brandt op de schouders en de temperatuur oploopt. Even vragen we ons af of dit nog wel leuk is. Dan maar weer terug, nadat we nog vier keer vastgezeten hebben in het zand en nemen een ander pad. Stijl omhoog en stijl omlaag, over stenen en keien. Lukt dat weer om er tegenop te komen? Dat zien we morgen dan wel weer. Nog steeds vinden we de weg naar het noorden niet, het lijkt alsof de sporen ophouden. We parkeren de truck redelijk op tijd op een prachtige plek tussen de bergen en genieten van de rust en de stilte. Het uitzicht is prachtig, vooral als de zon ondergaat want dan zijn de kleuren zo zacht en warm.
De volgende ochtend maar weer op pad. We rijden met gemak die stenen helling weer op (gelukkig geen lier te gebruiken) en kiezen de route terug naar het zuiden. Tussen de bergen, door de vallei met die prachtige kleuren. De bodembegroeiing is zandgeel, kleine, smalle grasjes. Het is net of je door enorme graanvelden rijdt, omringt door bergen. Weinig groen, enkel bij rivierbeddingen wat kleine struiken. We zien struisvogels (mjummie), springbokken (die springen leuk, het is net of ze even in de lucht stil hangen) en gemsbokken (oryx). Mensen zien we niet.
Vol goede moed rijden we door het prachtige landschap. Dan, opeens, oei, er zit een rezerveband los, die valt er bijna vanaf. Stoppen. Ojee, we zijn al een goede reserveband verloren! Terug dus. Ik op het dak, hotsend en klotsend, geen ideale positie. Het landschap is een beetje glooiend, als we pech hebben zien we de band nooit meer terug. Die valt met kracht van de truck af en kan heel ver rollen (zoals we eens gezien hebben bij een bus). Maar, we hebben geluk, netjes 1 meter van de route af ligt de band tegen een boompje. Weer hijsen en zweten, maar we zijn weer compleet! Dan nog maar weer water halen, een stukje terug. De bijen zitten er nog steeds, als we beginnen met pompen komt er gewoon een hele klont bijen uit de kraan! In de emmer zwemmen en spartelen honderden bijen, het is bijna The Birds van Hitchcock, maar dan met bijen. Een maal uit de Hartmannvallei (wat er nou zo heel speciaal aan was hebben we niet opgemerkt, ondanks dat het prachtig was) rijden we over een breder spoor. Het wordt iets minder stenig, wel krijgen we veel meer wasbord. En nu pas wordt het echt mooi. De bergen in de verte, de uitgestrekte valleien, de gemsbokken en springbokken, het zachte zonlicht aan het einde van de middag. We stoppen op tijd, op een plek waar het een stuk koeler lijkt. Misschien omdat we hemelsbreed ongeveer 50 kilometer van de kust af zitten. We worden bekeken op afstand door gemsbokken, verder zien we vandaag weer niemand. Kampvuurtje en naar bed met Harry Potter op cassette.
Het is koud ’s nachts. Het koelt af tot ongeveer 10 graden, heel wat anders dan afgelopen nachten. ’s Nachts zien we de mist tussen de bergen hangen, het raamhor is helemaal vochtig.
’s Morgens is de mist verdwenen, alleen nog in de verte. We gaan vroeg rijden, nu is het nog koel en lekker. En wat we dan zien, is allemaal adembenemend. Bergen in de mist, een zwak zonnetje waardoor de kleuren schitterend zijn; zachtgeel, roze en beige. De vallei is zachtgeel met roodroze aarde. Het is echt om stil van te worden, ik ben enorm onder de indruk van deze natuurschoon. Veel mooier dan de Hartmannvallei.
We besluiten niet zo ver te rijden en om weer in deze omgeving te overnachten. Nou rijd je niet zo ver hier omdat de route enkel wasbord is. Helemaal kapot gereden, we kunnen niet harder dan 20 kilometer per uur en dan trilt nog alles door elkaar.
Nu staan we in een kloof, een rivierbedding. Lekker lezen, brood bakken, wachten op de woestijnolifanten (die moeten hier ergens zitten volgens de kenners) en uitrusten van afgelopen dagen die warm en vermoeiend waren door de lekke banden en het vastzitten in het zand. Ook Brown moet een beetje bijslapen, die kan op de dag tijdens het rijden niet slapen daarvoor schudden we veel te erg.

Woensdag 25 september 2002

We zijn weer in de bewoonde wereld, we zijn in Swakopmund, een plaatsje aan de Atlantische Oceaan. Net boodschappen gedaan, geld gepind, museum bezocht, grote dingen laten wassen in de machine, 1 band laten repareren, de auto af laten spoelen en schoenen van kudu-leer gekocht voor Wim. Druk, druk, druk op zo’n dag!
Maar we staan nu wel weer lekker aan het strand op ongeveer 10 meter van de Atlantische Oceaan. En het is hier zalig! Door invloed van zee en land wordt het hier niet zo warm, ongeveer 20 graden maximaal. De zon blijft grotendeels verborgen achter de wolken die ontstaan door eerder genoemde invloed. Maar als de zon er is, is het verrukkelijk. Lekker buiten zitten zonder gelijk in zweet uit te breken. En lekker slapen natuurlijk.
Terug naar waar we gebleven waren. Een nacht in een kloof, een rustige koele nacht. Echter zonder olifanten. Vervolgens vertrokken verder naar het zuiden, naar de bewoonde wereld. Dat laat echter nog even op zich wachten. We rijden door mooi landschap; heuvelachtig, zanderig, zachtgeel en roze van kleur. Het eerste dorp welke we tegenkomen is Puros. Staat op de kaart, maar is drie keer niets. We zien weinig mensen, geen benzinepomp of winkels. Wat we wel zien zijn te veel sporen van auto’s en we rijden dus weer eens een verkeerde route. Ach, wat is verkeerd. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Nog steeds geen olifanten, wel zien we giraffes rondlopen en snoepen van de boomblaadjes.
Dan naar Sesfontein, de volgende plaats op de kaart, ongeveer 120 kilometer verderop. Daar kunnen we wat tanken, zowel diesel als water en een broodje kopen. Verder is er niets. Wel wordt de weg opeens stukken beter; gravelroad en heel breed en glad, net asfalt. Net buiten Sesfontein rijden we een kloof in, de Khovarebkloof. We hopen daar te kunnen overnachten. De kloof begint met campings. Tja, niets meer dan een plek om te staan. Daar komen we niet voor en we rijden verder. Maar dat houdt op een gegeven moment op, we zijn te breed met de truck om het pad te kunnen volgen en het is veel te stijl op sommige plekken. Terug dus en toch maar op de “camping”, een plek onder een boom aan een stroompje met verder niets, behalve wat vee wat komt drinken van het water. Ojee, weer bijna een band kapot gereden. Doordat het pad zo smal was hebben we een stuk van de band afgereden. Gelukkig nog niet lek, we laten de band zitten en hopen dat het nog een tijdje goed gaat. Al met al dus 3 kapotte banden in korte tijd. Bandenvreters zijn die routes hier in het noordwesten van Namibië!
Op de “camping” is het heet, het wordt meer dan 40 graden en het koelt langzaam af. Om 10 uur ’s avonds is het nog 30 graden, oh, wat verlangen we naar de zee!
De volgende dag door naar het zuiden. We rijden door het “Skeleton Coast Park”. Een goede route alhoewel het niet zo heel spectaculair is. Je rijdt niet zo dicht langs de oceaan dat je het water kunt voelen, je ruikt het al wel. De route zuidwaarts is nogal saai. Maar, het is wel koel en aangenaam. Vreemd, ’s morgens was het om half negen al 26 graden (10 graden gestegen binnen 1 uur) en nu, ’s middags is het hier aan de kust slechts 15 graden. En dat binnen een afstand van ongeveer 50 kilometer.
We mogen niet overnachten in het park en rijden er rustig doorheen. Je kunt hier ook niet overnachten want je krijgt een gedateerd papiertje mee als je het park in rijdt wat je moet inleveren als je het park uit gaat. De weg is redelijk maar wordt nog beter als we het park uit zijn. Dan wordt het een zoutweg, glad en breed. Even buiten het park gaan we aan het strand staan. Lekker geen zon! Wim ziet binnen 15 minuten dat hij aan de vloedlijn staat (te praten met een visser van wie hij een verse kabeljauw weet te bemachtigen) al een bultrug, orka en zeeleeuwen. Helaas komen ze niet meer terug, dus voor mij geen herhaling. We blijven twee nachten staan op deze stille en rustige plek waar we enkel een paar vissers zien. En die vissers komen met de auto; hengels in volle lengte omhoog aan de voorkant van de auto, het lijken zo wel voelsprieten.
Geen zon, wel de zee en het strand. Vooral Brown is in haar element, ze rent van hot naar her en wil de hele tijd buiten spelen. Wij genieten vooral van de frisheid en de rust; we lezen, luisteren naar muziek en spelen kaart. Gezellig kneuteren!
Dan weer verder richting de bewoonde wereld. We doen weer normaal boodschappen in Henties baai. Een plaatsje gelegen aan de oceaan, enkel (vakantie)bungalows in de vlakte aan de kust. Net buiten Henties baai vinden we weer een mooi plekje aan het strand (de camping was te duur; ongeveer 11 US dollar voor een plekje aan het strand met toiletten (zonder stromend water) en een douche op kilometers afstand). Hier in Namibië, en ze zeggen ook in Zuid Afrika, betaal je voor een campingplek een vast bedrag, dan nog een bedrag per persoon en soms ook nog voor de truck. Het is dus voordeliger om met een aantal mensen op een plek te staan (die groter zijn dan de meeste campingplaatsen bij ons).
De volgende ochtend zitten we bijna nog vast in het zand, het is verraderlijk hier. Vooral niet van de sporen af en zoeken naar goed uitgereden sporen. Maar toch zaten we bijna vast.
Dan naar Swakopmund. We passeren eerst nog Wlotzkabaken, een plaats die uitsluitend bestaat uit vakantiebungalows met elk een waterton, alles geschilderd in vrolijke kleuren, roze, blauw, groen, geel enz. Maar nu een verlaten dorp met geen ziel te bekennen. In Swakopmund is dat anders, de bewoonde wereld bestaat nog. Alles is hier laagbouw, geschilderd in vele kleuren. Het doet Duits aan met onder andere Backereien en Gasthofen. Ze spreken hier ook, naast Zuid Afrikaans en Engels, ook Duits. Het is een net stadje dat gemoedelijk overkomt. We zijn hier de hele dag druk met van alles en keren aan het eind van de middag weer terug naar het noorden voor een gratis campingplek aan de kust. In de stad is het veel te duur, meer dan 10 US dollar per nacht. Nou, dan rijden we liever 10 kilometer en staan vrij aan het strand. En daar staan we dan nu weer, zonnetje, zee en strand. Oh, wat kan het leven toch mooi zijn.
We hopen dit bericht morgen naar jullie te sturen vanuit Swakopmund voordat we verder gaan naar het zuiden, naar Walvisbaai. Daarna staat Windhoek op het programma.
Hier alles goed, we zijn in goede gezondheid (nog geen kilo afgevallen, eerder aangekomen) en hebben nog steeds zin om verder te reizen. Nu vooral naar Kaapstad, want Herman komt!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!
Bedankt een ieder die in het gastenboek (guestbook) een berichtje heeft achter gelaten.
Heel veel liefs en kusjes vanuit een prachtig Namibië.XXXXXXX Wim, Monique en Brown.