Daar zijn we weer! Nog steeds in het noordwesten van Namibië. Voor mij
tot nu toe de mooiste omgeving sinds heel lange tijd. Natuurschoon en stilte
zijn kenmerkend.
Maar we waren gebleven in Oshakati, daar waar we van spullen beroofd werden.
We zijn snel verder gereden richting het noordwesten; Ruacana. De plaats hebben
we nooit gevonden, maar wel de weg die we wilden volgen. Eerst nog een stuk
over goede weg tot aan de grens met Angola. Eerst rijden we nog over een rustige
en saaie vlakte en dan opeens komt er een afdaling van honderden meters. Je
kijkt van boven af neer op een groot gebied met bergen, heuvels, struiken en
water, we zijn er even stil van. Vanaf Ruacana hebben we de weg gevolgd langs
de rivier Kunene, de grens tussen Angola en Namibië. De omgeving verandert;
er zijn grote bomen langs de rivier, veel groen. De track is slecht met veel
stenen en keien, maar goed te doen met de truck. We wilden toch een beetje off
road? Onderweg zien we voor het eerst Himba’s, een volk dat in het noordwesten
van Namibië woont. Het is een volk dat nog terug in de tijd leeft. Kenmerkend
is dat de vrouwen zich insmeren met een mengsel van vet en oker, veel sieraden
hebben (ook ingesmeerd met vet en oker), geitenvellen in het haar en om de lendenen
dragen en topless rondlopen. Prachtig om te zien, ze ruiken echter niet zo aangenaam.
Het is een penetrante lucht die je al van veraf kunt waarnemen. Maar ze zijn
mooi die vrouwen, plaatjes om te zien. Niet zo zeer van uiterlijk als wel van
voorkomen. De mannen daarentegen stellen niets voor. Geen smeersel, geen geitenvellen,
soms een handdoek om hun middel gedrapeerd, geen imposante verschijning in ieder
geval. Ze leven van het weinige dat deze omgeving te bieden heeft. Natuurlijk
heeft ook de vooruitgang hier zijn intrede gedaan; “sweetie, sweetie”
kennen zelfs de kleinste kinderen al. Jammer, maar dat is de schadelijke invloed
van toeristen.
We staan een nachtje op een camping en reizen dan door naar Epupa Falls, watervallen
gelegen in de Kunene. We kunnen helaas niet langs de rivier blijven rijden omdat
de route te slecht is, we moeten qua afstand omrijden. Het is heuvelachtig,
de weg redelijk en de temperatuur hoog. Dan zien we opeens de rivier weer en
zijn daar ook de watervallen. Tja, als je de Victoria Falls net gezien hebt,
dan valt het snel tegen. Maar deze watervallen zijn echt de moeite waard. Je
staat heel dichtbij de kloof waar het water meters naar beneden klettert, het
is wederom fascinerend om te zien. We staan op alledrie de campings die naast
elkaar gelegen zijn langs de rivier. Verhuizen maar weer. Het maakt eigenlijk
allemaal niet zoveel uit, alleen is er op de eerste veel lawaai van het neerstortende
water.
Op de derde camping zien we ook (we horen ze eerst aankomen) Eric en Mirella
weer. Etosha was prachtig en veel wild is er gescoord. We staan nog samen een
nacht hier bij Epupa Falls en vertrekken met elkaar, E & M iets later dan
wij, weer richting het westen. Het is voor ons echt vrijdag de dertiende. De
meter van de oliedruk staat te hoog, de magnetronschaal valt uit de magnetron
tijdens het rijden en breekt in duizend stukjes en de benzinetank voor de aggregaat
slaat lek. We stoppen, Wim krijgt een elektrische opdonder en de oliedrukmeter
staat weer goed. Jammer van de magnetronschaal en de lekke tank. En dan, achteraf
vastgesteld, dat het niet eens vrijdag de dertiende maar zaterdag de veertiende
is!! We hebben echt weer een (be)scheurkalender nodig. Herman! Herman komt eind
november invliegen op Kaapstad en blijft een week. De eerste die de overtocht
maakt en ons komt opzoeken. Of dat zo goed is voor hem weet ik niet, hij moet
(als het kan) nogal wat meenemen en nu ook nog een (be)scheurkalender! Een idee
(niet van mezelf, maar van Mirella)! Ik moet nog wel even overleggen met Herman
zelf, maar het is natuurlijk mogelijk om foto’s en brieven mee te geven
aan Herman als hij deze kant op komt. Geen pakketten, we hebben hier kaas, drop
en van alles en Herman moet al genoeg andere dingen meenemen. Ik zal, als het
goed is, het adres opgeven van Herman zodat jullie de spullen daarnaar toe kunnen
brengen of sturen. Herman komt op 27 november heeeeeeeeeel vroeg in Kaapstad
aan, dus tot die tijd kunnen jullie van alles maken.
Nu weer de reis. Onderweg ontmoeten we meer mensen van de Himba-stam. En nog
steeds is het sweetie, sweetie. We kamperen in een rivierbedding. Al snel komen
daar de eerste vrouwen en kinderen. Prachtig zien ze eruit. Om aandacht te trekken
gaan ze een beetje dansen, springen en giechelen, “sweetie” lijken
ze nog niet te kennen. Het is niet vervelend, het is eigenlijk wel leuk. Er
gaat geen dreiging of opdringerigheid van uit, meer enthousiasme en interesse.
Dan moet er maar geruild gaan worden. Mirella haalt haar tasje te voorschijn
en begint. Ogenschaduw! Eerst maar eens op doen bij de dames. Zelfs de baby
moet ook een beetje. Dan kralen, pennen, ballonnen, sleutelhangers van Beversport
(als oorbellen). Alles wordt geruild tegen kettingen en armbanden. Helaas allemaal
te vies om vast te pakken (vet en oker) maar we stoppen het gauw in een plastic
zakje om ze later te laten drogen in de zon.
Het mooist is het de volgende ochtend. Mirella is al vroeg in de weer en weldra
zien we een Himba meisje met een plastic regenjasje, zo’n ding voor eenmalig
gebruik bij ons, ooit gekocht voor een gulden of zo. Stralend van geluk en trots
heeft ze dat plastic ding aan en springt en danst ermee in de rondte. Enerzijds
schamen we ons; wat moet zij daar nu mee? Anderzijds wilde ze dat perse hebben.
Ziet men in de toekomst Himba vrouwen (de mannen zie je niet, die hoeden het
vee) met plastic regenjasjes, ogenschaduw en oorbellen van Beversport dan weten
jullie hoe dat komt. Wie had het ook al weer over de invloed van toeristen???
We trekken verder en dan scheiden onze wegen. Eric en Mirella nemen de “Van
Zijl’s pas”, een pas die voor de truck niet te doen is (zeggen ze,
maar we willen het toch niet eerst zelf uit proberen want je komt op een moment
dat je niet meer terug kunt). Voor de zoveelste keer een afscheid, wie weet
wanneer we elkaar weer zien.
Wim en ik rijden rustig aan naar het zuiden, een stukje om. Niet dat dit nou
een vlakke en gemakkelijke route is. Soms heel stijl, het pad overladen met
losliggende rotsen en stenen, dan weer heel smal waardoor we het raampje verder
kapot rijden. Het ontbreekt hier aan borden of andere aanwijzingen; we rijden
op gevoel en een beetje op de GPS. Helaas hebben we geen of weinig coördinaten
dus moeten we vooral op gevoel afgaan. We zien veel sporen, maar volgen toch
steeds het goede. Van een weg is al geen sprake meer, het zijn uitgesleten sporen
die niet kunnen missen (alleen bij een kruising natuurlijk, moeten we wat? Wat
moeten we dan? Links? Rechts? Rechtdoor???).
Gelukkig gaat het allemaal goed, ons gevoel is in orde. Helaas is ook de kaart
niet helemaal goed die we hebben, dus we rijden maar een beetje. Je ziet niets
of niemand, het is een verlaten gebied. Op de kaart staan plaatsjes die we niet
tegenkomen, of het moeten die drie verlaten hutten zijn. Het plaatsje Rooidrum
is niets meer of minder dan een rood vat op een splitsing. Eric en Mirella hebben
een boodschap achtergelaten, ze hebben de “Van Zijl’s Pas”
gedaan.
Wim en ik rijden verder westwaards, richting de Hartmannvallei. Dat is een gebied
waar je door kunt rijden, richting de grens met Angola. Oj, wat is dat? Een
lekke band!!!! Gelukkig is het nog niet zo heel erg warm, maar we staan natuurlijk
wel net weer in de brandende zon. Het gaat redelijk snel, binnen anderhalf uur
rijden we weer verder. Maar het kost, zeker voor Wim, wel 5 uur aan energie.
De route is een track die voornamelijk uit stenen bestaat. De truck is breder
dan de auto’s die er normaal over rijden waardoor het wat te smal is voor
ons en de banden aan de zijden opdonders krijgen. Deze band is niet meer te
redden en laten we achter. Scheelt weer 100 kilo! Onderweg komen we wel een
waterpomp tegen en vullen weer aan. Helaas stikt het er van de bijen en moeten
we snel wegwezen. We zien verder geen mens of ander dier dan die bijen.
Dan rijden we de Hartmanvallei binnen. Niets meer of minder dan een track. Volgens
de kaart mag je in de vallei niet kamperen, maar tegen de Angolese grens is
het wel weer toegestaan. Een stuk van ongeveer 70 kilometer. Helaas, we zullen
er nooit komen. Ligt het aan de kaart, aan de GPS, de intuitie? We rijden de
eerste dag een stukje in de vallei en zetten de truck op een mooie plek. Helaas
hebben we wat bijen meegenomen die aangetrokken zijn door het water. Het stikt
ervan, gelukkig gaan ze ook slapen als het kouder wordt. Kouder worden? Nou
niet echt. Het is op de dag bijna 40 graden, ’s nachts koelt het af tot
ongeveer 25 graden.
De volgende dag richting die kampeerplek. De verkeerde route (nergens een bordje)?
We belanden in een rivierbedding waar geen eind aan komt en sporen ophouden,
komen 4 keer vast te zitten en krijgen nog een lekke band. Een grote houten
pin, misschien nog te maken.
En dat terwijl de zon brandt op de schouders en de temperatuur oploopt. Even
vragen we ons af of dit nog wel leuk is. Dan maar weer terug, nadat we nog vier
keer vastgezeten hebben in het zand en nemen een ander pad. Stijl omhoog en
stijl omlaag, over stenen en keien. Lukt dat weer om er tegenop te komen? Dat
zien we morgen dan wel weer. Nog steeds vinden we de weg naar het noorden niet,
het lijkt alsof de sporen ophouden. We parkeren de truck redelijk op tijd op
een prachtige plek tussen de bergen en genieten van de rust en de stilte. Het
uitzicht is prachtig, vooral als de zon ondergaat want dan zijn de kleuren zo
zacht en warm.
De volgende ochtend maar weer op pad. We rijden met gemak die stenen helling
weer op (gelukkig geen lier te gebruiken) en kiezen de route terug naar het
zuiden. Tussen de bergen, door de vallei met die prachtige kleuren. De bodembegroeiing
is zandgeel, kleine, smalle grasjes. Het is net of je door enorme graanvelden
rijdt, omringt door bergen. Weinig groen, enkel bij rivierbeddingen wat kleine
struiken. We zien struisvogels (mjummie), springbokken (die springen leuk, het
is net of ze even in de lucht stil hangen) en gemsbokken (oryx). Mensen zien
we niet.
Vol goede moed rijden we door het prachtige landschap. Dan, opeens, oei, er
zit een rezerveband los, die valt er bijna vanaf. Stoppen. Ojee, we zijn al
een goede reserveband verloren! Terug dus. Ik op het dak, hotsend en klotsend,
geen ideale positie. Het landschap is een beetje glooiend, als we pech hebben
zien we de band nooit meer terug. Die valt met kracht van de truck af en kan
heel ver rollen (zoals we eens gezien hebben bij een bus). Maar, we hebben geluk,
netjes 1 meter van de route af ligt de band tegen een boompje. Weer hijsen en
zweten, maar we zijn weer compleet! Dan nog maar weer water halen, een stukje
terug. De bijen zitten er nog steeds, als we beginnen met pompen komt er gewoon
een hele klont bijen uit de kraan! In de emmer zwemmen en spartelen honderden
bijen, het is bijna The Birds van Hitchcock, maar dan met bijen. Een maal uit
de Hartmannvallei (wat er nou zo heel speciaal aan was hebben we niet opgemerkt,
ondanks dat het prachtig was) rijden we over een breder spoor. Het wordt iets
minder stenig, wel krijgen we veel meer wasbord. En nu pas wordt het echt mooi.
De bergen in de verte, de uitgestrekte valleien, de gemsbokken en springbokken,
het zachte zonlicht aan het einde van de middag. We stoppen op tijd, op een
plek waar het een stuk koeler lijkt. Misschien omdat we hemelsbreed ongeveer
50 kilometer van de kust af zitten. We worden bekeken op afstand door gemsbokken,
verder zien we vandaag weer niemand. Kampvuurtje en naar bed met Harry Potter
op cassette.
Het is koud ’s nachts. Het koelt af tot ongeveer 10 graden, heel wat anders
dan afgelopen nachten. ’s Nachts zien we de mist tussen de bergen hangen,
het raamhor is helemaal vochtig.
’s Morgens is de mist verdwenen, alleen nog in de verte. We gaan vroeg
rijden, nu is het nog koel en lekker. En wat we dan zien, is allemaal adembenemend.
Bergen in de mist, een zwak zonnetje waardoor de kleuren schitterend zijn; zachtgeel,
roze en beige. De vallei is zachtgeel met roodroze aarde. Het is echt om stil
van te worden, ik ben enorm onder de indruk van deze natuurschoon. Veel mooier
dan de Hartmannvallei.
We besluiten niet zo ver te rijden en om weer in deze omgeving te overnachten.
Nou rijd je niet zo ver hier omdat de route enkel wasbord is. Helemaal kapot
gereden, we kunnen niet harder dan 20 kilometer per uur en dan trilt nog alles
door elkaar.
Nu staan we in een kloof, een rivierbedding. Lekker lezen, brood bakken, wachten
op de woestijnolifanten (die moeten hier ergens zitten volgens de kenners) en
uitrusten van afgelopen dagen die warm en vermoeiend waren door de lekke banden
en het vastzitten in het zand. Ook Brown moet een beetje bijslapen, die kan
op de dag tijdens het rijden niet slapen daarvoor schudden we veel te erg.
Woensdag 25 september 2002
We zijn weer in de bewoonde wereld, we zijn in Swakopmund, een plaatsje aan
de Atlantische Oceaan. Net boodschappen gedaan, geld gepind, museum bezocht,
grote dingen laten wassen in de machine, 1 band laten repareren, de auto af
laten spoelen en schoenen van kudu-leer gekocht voor Wim. Druk, druk, druk op
zo’n dag!
Maar we staan nu wel weer lekker aan het strand op ongeveer 10 meter van de
Atlantische Oceaan. En het is hier zalig! Door invloed van zee en land wordt
het hier niet zo warm, ongeveer 20 graden maximaal. De zon blijft grotendeels
verborgen achter de wolken die ontstaan door eerder genoemde invloed. Maar als
de zon er is, is het verrukkelijk. Lekker buiten zitten zonder gelijk in zweet
uit te breken. En lekker slapen natuurlijk.
Terug naar waar we gebleven waren. Een nacht in een kloof, een rustige koele
nacht. Echter zonder olifanten. Vervolgens vertrokken verder naar het zuiden,
naar de bewoonde wereld. Dat laat echter nog even op zich wachten. We rijden
door mooi landschap; heuvelachtig, zanderig, zachtgeel en roze van kleur. Het
eerste dorp welke we tegenkomen is Puros. Staat op de kaart, maar is drie keer
niets. We zien weinig mensen, geen benzinepomp of winkels. Wat we wel zien zijn
te veel sporen van auto’s en we rijden dus weer eens een verkeerde route.
Ach, wat is verkeerd. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden. Nog steeds geen
olifanten, wel zien we giraffes rondlopen en snoepen van de boomblaadjes.
Dan naar Sesfontein, de volgende plaats op de kaart, ongeveer 120 kilometer
verderop. Daar kunnen we wat tanken, zowel diesel als water en een broodje kopen.
Verder is er niets. Wel wordt de weg opeens stukken beter; gravelroad en heel
breed en glad, net asfalt. Net buiten Sesfontein rijden we een kloof in, de
Khovarebkloof. We hopen daar te kunnen overnachten. De kloof begint met campings.
Tja, niets meer dan een plek om te staan. Daar komen we niet voor en we rijden
verder. Maar dat houdt op een gegeven moment op, we zijn te breed met de truck
om het pad te kunnen volgen en het is veel te stijl op sommige plekken. Terug
dus en toch maar op de “camping”, een plek onder een boom aan een
stroompje met verder niets, behalve wat vee wat komt drinken van het water.
Ojee, weer bijna een band kapot gereden. Doordat het pad zo smal was hebben
we een stuk van de band afgereden. Gelukkig nog niet lek, we laten de band zitten
en hopen dat het nog een tijdje goed gaat. Al met al dus 3 kapotte banden in
korte tijd. Bandenvreters zijn die routes hier in het noordwesten van Namibië!
Op de “camping” is het heet, het wordt meer dan 40 graden en het
koelt langzaam af. Om 10 uur ’s avonds is het nog 30 graden, oh, wat verlangen
we naar de zee!
De volgende dag door naar het zuiden. We rijden door het “Skeleton Coast
Park”. Een goede route alhoewel het niet zo heel spectaculair is. Je rijdt
niet zo dicht langs de oceaan dat je het water kunt voelen, je ruikt het al
wel. De route zuidwaarts is nogal saai. Maar, het is wel koel en aangenaam.
Vreemd, ’s morgens was het om half negen al 26 graden (10 graden gestegen
binnen 1 uur) en nu, ’s middags is het hier aan de kust slechts 15 graden.
En dat binnen een afstand van ongeveer 50 kilometer.
We mogen niet overnachten in het park en rijden er rustig doorheen. Je kunt
hier ook niet overnachten want je krijgt een gedateerd papiertje mee als je
het park in rijdt wat je moet inleveren als je het park uit gaat. De weg is
redelijk maar wordt nog beter als we het park uit zijn. Dan wordt het een zoutweg,
glad en breed. Even buiten het park gaan we aan het strand staan. Lekker geen
zon! Wim ziet binnen 15 minuten dat hij aan de vloedlijn staat (te praten met
een visser van wie hij een verse kabeljauw weet te bemachtigen) al een bultrug,
orka en zeeleeuwen. Helaas komen ze niet meer terug, dus voor mij geen herhaling.
We blijven twee nachten staan op deze stille en rustige plek waar we enkel een
paar vissers zien. En die vissers komen met de auto; hengels in volle lengte
omhoog aan de voorkant van de auto, het lijken zo wel voelsprieten.
Geen zon, wel de zee en het strand. Vooral Brown is in haar element, ze rent
van hot naar her en wil de hele tijd buiten spelen. Wij genieten vooral van
de frisheid en de rust; we lezen, luisteren naar muziek en spelen kaart. Gezellig
kneuteren!
Dan weer verder richting de bewoonde wereld. We doen weer normaal boodschappen
in Henties baai. Een plaatsje gelegen aan de oceaan, enkel (vakantie)bungalows
in de vlakte aan de kust. Net buiten Henties baai vinden we weer een mooi plekje
aan het strand (de camping was te duur; ongeveer 11 US dollar voor een plekje
aan het strand met toiletten (zonder stromend water) en een douche op kilometers
afstand). Hier in Namibië, en ze zeggen ook in Zuid Afrika, betaal je voor
een campingplek een vast bedrag, dan nog een bedrag per persoon en soms ook
nog voor de truck. Het is dus voordeliger om met een aantal mensen op een plek
te staan (die groter zijn dan de meeste campingplaatsen bij ons).
De volgende ochtend zitten we bijna nog vast in het zand, het is verraderlijk
hier. Vooral niet van de sporen af en zoeken naar goed uitgereden sporen. Maar
toch zaten we bijna vast.
Dan naar Swakopmund. We passeren eerst nog Wlotzkabaken, een plaats die uitsluitend
bestaat uit vakantiebungalows met elk een waterton, alles geschilderd in vrolijke
kleuren, roze, blauw, groen, geel enz. Maar nu een verlaten dorp met geen ziel
te bekennen. In Swakopmund is dat anders, de bewoonde wereld bestaat nog. Alles
is hier laagbouw, geschilderd in vele kleuren. Het doet Duits aan met onder
andere Backereien en Gasthofen. Ze spreken hier ook, naast Zuid Afrikaans en
Engels, ook Duits. Het is een net stadje dat gemoedelijk overkomt. We zijn hier
de hele dag druk met van alles en keren aan het eind van de middag weer terug
naar het noorden voor een gratis campingplek aan de kust. In de stad is het
veel te duur, meer dan 10 US dollar per nacht. Nou, dan rijden we liever 10
kilometer en staan vrij aan het strand. En daar staan we dan nu weer, zonnetje,
zee en strand. Oh, wat kan het leven toch mooi zijn.
We hopen dit bericht morgen naar jullie te sturen vanuit Swakopmund voordat
we verder gaan naar het zuiden, naar Walvisbaai. Daarna staat Windhoek op het
programma.
Hier alles goed, we zijn in goede gezondheid (nog geen kilo afgevallen, eerder
aangekomen) en hebben nog steeds zin om verder te reizen. Nu vooral naar Kaapstad,
want Herman komt!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!
Bedankt een ieder die in het gastenboek (guestbook) een berichtje heeft achter
gelaten.
Heel veel liefs en kusjes vanuit een prachtig Namibië.XXXXXXX Wim, Monique
en Brown.